
|
Contact
| Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen
| Uitgaven Alles wat onderstreept is bevat een koppeling. Voor een overzicht van de inhoud van deze internetpresentatie zie de Inhoudsopgave. Om te zoeken op deze pagina druk op Ctrl-F. Gebruik om te zoeken op de hele presentatie het zoekvenster onder aan de pagina. |
|||
| ’k Zie
oe daor zo gère ligge, Tilburg, waor 'k gebore ben... De afbeelding is een meerkleurenets van C.M. de Kort en toont Tilburg vanuit het noorden in de jaren veertig of vijftig van de twintigste eeuw. |
Stamreeks
Van Heyst-De Bruijn door Martin de Bruijn (in aanbouw) |
||
Andere genealogische bijdragen van Martin de Bruijn op deze internetpresentatie: Joost Bartels de Bruijn ◄ Stamreeks Leijten-Mutsaers ◄ Kwartierstaat Martin de Bruijn ◄ Daneel van Heyst. Een vijftiende-eeuwse Tilburger en zijn omgeving ◄ Gedeeltelijke verantwoording van onderstaande stamreeks: M.W.J. de Bruijn, ‘De hoeve "Het Goed ter Linden" in de Stokhasselt’, Tilburg. Tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur 21 (2003) 35-46. Gegevens over de eerste vijf generaties zijn verder te vinden in de zogenaamde blauwe boekjes: Nederlands Patriciaat, aldaar jaargang 73 (1989) 108-109 (geslacht Van Heijst). Over twee generaties nakomelingen van generatie X (Jan Pauwels Peter Pauwels) zie: M.W.J. de Bruijn, 'Eene pretense staeck. Nakomelingen van Jan Paulus Peters als gepretendeerde erfgenamen van Jan Cornelis Baesten uit Tilburg', in: Ton Reniers (red.), Leo Brabanticus. Liber amicorum voor dr. Leo Adriaenssen ('s-Hertogenbosch 2011) 362-369. |
Waarschuwing: de
gegevens elders op het internet over deze familie Van
Heyst bevatten veel onjuistheden. Ik ben me er
overigens terdege van bewust dat ook mijn werk niet vlekkeloos is en
houd me
aanbevolen voor iedere verbetering
of aanvulling.
Er wonen in Tilburg en omgeving verschillende families De Bruijn die geen aantoonbare stamverwantschap hebben. Mijn familie stamt in de mannelijke lijn af van het omvangrijke geslacht Van Heyst, dat waarschijnlijk afkomstig is uit het Belgische Heist‑op‑den‑Berg. Omstreeks 1340 woonden er echter al verschillende Van Heysts in Tilburg en Udenhout. In de familietak van de Van Heysts waar ik van afstam, is de geslachtsnaam Van Heyst omstreeks 1530 verdwenen. Mijn familieleden werden daarna enkele eeuwen lang alleen aangeduid met patroniemen, dit wil zeggen dat achter de voornaam van een persoon de voornaam van de vader, daarachter de voornaam van de grootvader, vervolgens die van de overgrootvader, enzovoorts, werd geplaatst. Peter Pauwels Cornelis Hermans wil dus zeggen: Peter zoon van Pauwels zoon van Cornelis zoon van Herman. Veel patroniemen zijn uitgegroeid tot familienamen. Dit was niet het geval met deze familietak. Ik gebruik hier de spelling Van Heyst omdat die in de middeleeuwse bronnen het meest voorkomt. De nakomelingen die de geslachtsnaam hebben overgedragen heten doorgaans Van Heijst en Van Hest. De naam De Bruijn verscheen in mijn familie voor het eerst in het jaar 1704. Twee zonen van Bartel Jan Paulus – Joost en Marten (generatie XII), afkomstig uit Tilburg – trouwden in respectievelijk 1696 en 1704 in Oisterwijk en gingen in het nabijgelegen Heukelom en Udenhout wonen. Toen Joost op 30 november 1704 in de Oisterwijkse kerk een kind liet dopen, werd voor het eerst de familienaam De Bruijn ingeschreven. Hetzelfde gebeurde bij de doop van Martens eerste kind op 4 december van dat jaar. Sindsdien werden Joost, Marten en – voor zover viel na te gaan – al hun nakomelingen De Bruijn of De Bruin genoemd. Deze familienaam is waarschijnlijk afkomstig van hun bruine huidskleur of de opvallend bruine kleur van hun haar of ogen. ![]() Het eerste document waarin mijn familienaam De Bruijn verschijnt. Het betreft de Oisterwijkse doopakte van Anna dochter van Joost de Bruijn en Anna Denis Joosten. De tekst luidt: 30 (novembris 1704) Anna bap(ti)z(ata). Parentes Justinus de Bruyn et Anna Denyssen, coniuges. Susceptores Martinus de Bruyn et Maria de Bruyn. In vertaling: 30 (november 1704) Anna gedoopt. Ouders Joost de Bruyn en Anna Denyssen, echtelieden. Doopheffers Marten de Bruyn en Maria de Bruyn. |
||
| Gebruikte
afkortingen dr. dochter omstr. omstreeks geb. geboren ged. gedoopt overl. overleden begr. begraven tr. (1) (eerste) huwelijk pr. huwelijk voor de predikant gesloten (dit gold als burgerlijk huwelijk) s. huwelijk voor de schepenen gesloten (burgerlijk huwelijk) r.‑k. kerkelijk huwelijk (voor de pastoor) wed. weduwe wedn. weduwnaar N.N. nomen nescio (naam onbekend) a.w. aangehaald werk blz. bladzijde f. folio v. versozijde ARA Algemeen Rijksarchief B.S. Burgerlijke Stand BHIC Brabants Historisch Informatie Centrum GAHt Gemeentearchief 's-Hertogenbosch (Stadsarchief) Not. Notarieel archief Oud adm. arch. Oud administratief archief R. Rechterlijk archief RAT Regionaal Archief Tilburg |
![]() Het stadsgebied van Tilburg en het noordoostelijk aangrenzend gebied op een topografische kaart van 1958. Mijn voorouders in de mannelijke lijn woonden in de veertiende eeuw in het noorden van Tilburg – ten zuidwesten van de naam Heikant op de kaart – en zijn in de loop der eeuwen langzaam in zuidoostelijke richting, maar nog binnen de grenzen van de gemeente verhuisd. Vanaf ongeveer 1700 kwamen mijn voorvader Marten de Bruijn (1673-1716) en zijn broer Joost de Bruijn (1671-na 1713) (generatie XII) weer iets noordoostelijker – in de aangrenzende dorpen en gehuchten Udenhout, Berkel, Heukelom en Oisterwijk – te wonen. Mijn overgrootvader Jan de Bruijn (1846-1925), geboren in Oisterwijk (generatie XVI), is als pachtboer na een verblijf in Berkel en Moergestel weer naar Tilburg verhuisd. Ik ben zelf geboren in de Reit – linksonder op de kaart, waar het woord Viaduct staat – maar opgegroeid in de Hasselt op nog geen kilometer afstand van de plaats waar mijn oudste voorvader in de mannelijke lijn, Pauwels van Heyst, in de eerste helft van de veertiende eeuw woonde. Kortom, de actieradius van een boerenfamilie als de mijne beperkte zich tot hooguit tien, twaalf kilometer. Zelfs voor mijn ouders, beiden geboren in Tilburg in 1915 en 1917 (generatie XVIII), was Utrecht, waar ik in 1980 naar verhuisd ben, zo ongeveer het andere eind van de wereld. |
||
|
Generatie I Bronnen ARA Brussel, Rekenkamers 45038, f. 115 (cijnskring Oisterwijk; 1340). ARA Brussel, Rekenkamers 45072, f. 54, 57 en 77. (cijnskring Oisterwijk; 1380). GAHt, R. 's-Hertogenbosch 1182, blz. 178 (31.5.1400); R. 1183, f. 284 (29.3.1403); R. 1189, f. 120v. (27.4.1415); ald. f. 122.; R. 1191, f. 151 (13 of 14.7.1419). RAT, R. Oisterwijk 143, f. 22v. (8.4.1422). ![]() Het Lijnsheike en omgeving in 1967 (topografische kaart). Het Goed ter Linden bevond zich rechts van het kruisje ongeveer midden op de afbeelding. |
Pauwels van Heyst geb. omstr. 1290, overl. na omstr. 1340; tr. N.N. dr. Amijs van der Hasselt?; kinderen: 1 Jan (zie volgende generatie); 2 Goiart (de oude), geb. omstr. 1325, overl. na 1400, tr. omstr. 1350 N.N. Uit dit huwelijk: a Pauwels, overl. na
1411, tr. 1389 Liesbet Peter Plaatmaker;
b Goiart, overl. voor 1411, tr. (1) Jut Peter Leyndonc, tr. (2) omstr. 1390 Katelijn, overl. na 1414. Uit het eerste huwelijk: Jan de oude en Herman;
uit het tweede huwelijk:
Goiart, Jacob, Beatrijs, Gudeld,
Willem, Peter, Amijs, Jan de jonge, Zanna en Liesbet;
c Willem, overl. na
1421, tr. voor 1406 Liesbet dochter van Jan Langbont, overl. na 1420;
3 mogelijk
dochter N.N., overl. voor 1391.d Hendrik, overl. voor 1410, tr. Liesbet, overl. na 1411; Pauwels woonde waarschijnlijk al in Tilburg in de Stokhasselt op een deel van het zogeheten Goed ter Linden. De straatnamen Oude Lind en Lijnsheike in Tilburg-Noord herinneren nog aan dit goed. De gegevens over Pauwels ontlenen we nagenoeg alleen aan die van zijn nageslacht. In het register van de cijnzen – inkomsten voornamelijk uit de grond – van de hertog van Brabant van 1340 komen we hem zelf tegen in de ‘cijnskring’ Oisterwijk. Hij betaalde 3½ schelling per jaar van een nieuwe cijns. Ook betaalde Mette Peters en later haar dochter Liesbet 7½ oude penningen uit goederen van Pauwels van Heyst (ARA Brussel, Rekenkamers 45038, f. 115). In het cijnsregister van 1380 betaalde Pauwels’ zoon Goiart de cijns van 3½ schelling nieuw (Rekenkamers 45072, blz. 54) en Liesbet dochter van Mette Peters de cijns van 7½ penning oud. Later betaalde Willem Glaviman dit laatstgenoemde bedrag. Er was in 1380 sprake van 'wijlen' Pauwels van Heyst (ald. blz. 54 en 77). De hierboven genoemde Goiart wordt ook de zoon van Pauwels van Heyst genoemd in een Bossche akte van 31 mei 1400 (GAHt, R. 1182, blz. 178: Godefridus de Heyst, filius quondam Pauli de Heyst), op 27 april 1415 verscheen voor de Bossche schepenen Katelijn weduwe van wijlen Goiart van Heyst, zoon van wijlen Goiart van Heyst Pauwels soen senioris (R. 1189, f. 120v.), en drie dagen later werd vermeld Goiart van Heyst, zoon van wijlen Pauwels van Heyst (R. 1189, f. 122: quondam Godefridi van Heyst, filii quondam Pauli de Heyst). Enzovoorts. Hoewel de aanduiding ‘wijlen’ ontbreekt, wordt Pauwels ook genoemd in een akte van 29 maart 1403, waarin zijn zoon – mijn voorvader – Jan van Heyst (zie de volgende generatie) optreedt (R. 1183, f. 284: Iohannes de Heyst, filius Pauli de Heyst). Ook in een Oisterwijkse schepenakte van 8 april 1422 (RAT, R. Oisterwijk 143, f. 22v.) wordt gesproken van wilner Jan geheyten van Heijst zoen wilner Pauwels van Heijst. Dat Pauwels mogelijk getrouwd was met een dochter van Amijs van der Hasselt, kan heel voorzichtig worden afgeleid uit het feit dat zijn zonen Goiart en Jan in het hertogelijk cijnsregister van 1380 in de cijnskring Tilburg cijns betalen 'vanwege Amijs van der Hasselt' (Rekenkamers 45072, blz. 83: Godefridus de Heyst ex parte Amisii van der Hasselt xiiii d. novos; blz. 89: Iohannes de Heyst ex parte Mijs de Hasselt ix d. nov.). De mogelijke dochter van Pauwels is gebaseerd op een mogelijk aanwezig derde deel in het Goed ter Linden (zie hiervoor bovengenoemd artikel ‘De hoeve "Het Goed ter Linden" in de Stokhasselt’). Helaas worden dergelijke suggesties in veel genealogieën, vooral op het internet, overgenomen als zekerheden. Zie voor het nageslacht van Goiart Pauwels van Heyst ook het zojuist genoemde artikel. Zijn vier kinderen erfden een vierde deel van het restant van het Goed ter Linden, de kinderen van de hierna te noemen Jan (generatie II) elk een vijfde deel. ![]() Luchtfoto uit 1959 van de Oude Lind en het Lijnsheike in Tilburg vanuit het zuiden, nog vóór de stadsuitbreiding van de jaren zestig. Onder op de afbeelding het Wilhelminakanaal, rechtsboven de kerk van de Heikant. Het Goed ter Linden lag ongeveer driehonderd meter ten noorden van het kanaal, links van de straat. |
||
|
Generatie II Bronnen ARA Brussel, Rekenkamers 45072, blz. 84 en 89 (cijnskring Tilburg; 1380). GAHt, R. 's-Hertogenbosch 1177, f. 75v. (24.9.1383); 1180, blz. 291 (28.1.1395); 1182, blz. 178 (31.5.1400), blz. 481 (14.4.1401), blz. 517 (4.5.1401), blz. 568 (11.6.1401); 1183, f. 62 (26.11.1402), f. 284 (29.3.1403); 1184, f. 230v. (28.11.1405; 11.2.1406); 1185, f. 224 (27.10.1407), f. 400 (12.7.1408); 1187, f. 372 (24.3.1412); 1188, f. 138v. (27.3.1413); 1191, f. 121 (5.5.1419). RAT, R. Oisterwijk 143, f. 62v. (2.7.1420). |
Jan Pauwels van Heyst geb. omstr. 1325, overl. na 27.10.1407, voor 24.3.1412; tr. omstr. 1350 Liesbet, overl. na 27.3.1413 en voor 5.5.1419; uit dit huwelijk: 1 Pauwels, overl. voor 5.5.1419, tr. N.N., hieruit: Jan, overl. na 17.12.1421, voor
3.10.1440, tr. Aartke Aart van den Bloc, overl. na 3.10.1440);
2
Jan (zie volgende generatie); 3 Liesbet, overl. na 1412, tr. omstr. 1390 Jan Petersz. Polslauwer van Venloon (heeft een zoon Pauwels); 4 Mechteld, tr. 1403 Hendrik Meusz. van Wikkevoort (Wickenvoirt), overl. voor 30.1.1423 (hieruit een zoon Meus); 5 Katelijn?, overl. voor 2.7.1420, tr. omstr. 1400 Aart Aart Emmen, overl. na 2.7.1420 (hieruit een zoon Jan, die zich Van Heyst noemde). Jan van Heyst bezat een hoeve bij de Lind – iuxta tiliam dictam die lyndboem – in Tilburg in de Stokhasselt (GAHt, R. 's-Hertogenbosch 1187, f. 372 (24.3.1412)). Deze hoeve vormde een deel van het zogeheten Goed ter Linden. Jan van Heyst komt voor in het hertogelijk cijnsregister van 1380 in de cijnskring Tilburg. Gerit Crillart betaalde toen een cijns van 9 penningen nieuw voor Jan van Heyst (Rekenkamers 45072, blz. 84). Jan betaalde zelf een cijns van 9 penningen vanwege Amijs van der Hasselt (ald. blz. 89: Iohannes de Heyst ex parte Mijs de Hasselt ix d. nov.). In een Bossche schepenakte van 24 september 1383 komt hij voor als belender van een stuk land aen die Stoc hasselt in Tilburg (R. 1177, f. 75v.). Op 28 jauari 1395 verkocht Gijsbrecht zoon van wijlen Jan Meynnaerts hem een halve bunder beemd (hooiland) in Tilburg in de Grote Beemd bij den Vee dike (R. 1180, blz. 291). Op 31 mei 1400 verkreeg hij een erfelijke pacht van een mud rogge Oisterwijkse maat uit een stuk grond in Oisterwijk van Willem zoon van Filips van Macharen schoenmaker (R. 1182, blz. 178). Drie Bossche schepenakten uit 1401 geven meer inzicht in de familieverhoudingen en in de rechten op onroerend goed in die tijd. Op 14 april van dat jaar gaf Goiart zoon van wijlen Goiart van Heyst een stuk land van een half mudzaad groot in Tilburg op Stoc hasselt tussen erf van Jan van Heyst, broer van genoemde Goiart, aan de ene zijde en tussen erf van Willem van Heyst, zoon van genoemde Goiart van Heyst, strekkend met het ene eind aan de openbare straat geheten die Stoc hasselt, in erfelijke pacht aan Jan van Heyst, zoon van Jan van Heyst, voor een erfelijke pacht van een mud rogge Bossche maat, ieder jaar te betalen op Maria Lichtmis en in Tilburg te leveren. De pacht mocht gedurende zeven volgende jaren ieder jaar worden afgekocht met 42 Gelderse guldens van 36 gemeyn placken voor iedere gulden, en met de pacht van het jaar van de afkoop en met eventuele achterstallige betalingen (R. 1182, blz. 481). Familieleden en buren hadden in bepaalde gevallen het recht om dergelijke transacties te ‘naasten’, dit wil zeggen om voor hetzelfde bedrag over te nemen. Degene die er een beroep op deed kon het recht overnemen – hij moest letterlijk laten zien dat hij daar zelf het geld voor had (exhibere patentes denarios, quos suos proprios esse dicere) – of het aan de eerdere verkrijger laten, die hem daarvoor vanzelfsprekend een bedrag betaalde. Op 4 mei 1401 verscheen Pauwels Jansz. van Heyst voor de Bossche schepenen, en deed een beroep op zijn naastingsrecht (ius proximitatis) van een pacht van een mud rogge die Goiart Goiartsz. van Heyst bezat uit een stuk grond in de Stokhasselt tussen erf van Jan van Heyst de oude en erf van Willem Goiartsz. van Heyst. Jan Jansz. van Heyst had deze pacht van Goiart Goiartsz. verkregen. Jan deed vervolgens afstand van die pacht, waarna Pauwels ze hem weer overdroeg (R. 1182, blz. 517). Het is niet geheel duidelijk of het hier om de pacht van een mud rogge ging van de transactie van 14 april 1401. Dan zou Jan Jansz. van Heyst deze pacht snel daarna moeten hebben afgekocht van Goiart Goiartsz. van Heyst. Op 11 juni van hetzelfde jaar maakte Jan van Heyst in aanwezigheid van zijn zoon Jan van Heyst, de verkrijger van het hierboven genoemde stuk grond, gebruik van zijn naastingsrecht op die grond. Jan junior deed daarvan afstand, waarna zijn vader al zijn recht van afkoop dat hij vanwege zijn naastingsrecht had verworven weer overdroeg aan zijn zoon (R. 1182, blz. 568). In 1403 trouwde Jans dochter Mechteld met Hendrik zoon van wijlen Meus van Wickenvoirt. Als huwelijksgave kreeg het echtpaar een erfelijke pacht van 15 lopen rogge Bossche maat die de gebroeders Peter en Gerit, zonen van wijlen Hendrik Pasteel, aan Jan hadden beloofd uit twee bunder land in de parochie Alphen ter plaatse geheten Brakel (R. 1183, f. 284). Op 28 november 1405 droeg Jan zelfs al zijn roerende en onroerende goeden aan zijn schoonzoon Hendrik van Wickenvoirt over en kreeg ze op 11 februari 1406 van hem voor tien jaar in huur terug tegen de lasten die eruit gingen en een jaarlijkse huursom van 10 nuwe gulden (R. 1184, f. 230v.). Het is overigens ook denkbaar het bij deze overdracht en huur niet om Jan senior maar om Jan junior is gegaan. De laatste is kort hierna overleden. Jan de oude was op 27 oktober 1407 aanwezig in de schrijfkamer van de Bossche schepenen bij de aankoop van een pacht ten behoeve van de weduwe en kinderen van zijn zoon (zie de volgende generatie). Jan Pauwelsz. van Heyst moet overleden zijn vóór 14 maart 1412. Op die datum verkocht zijn schoonzoon Jan Petersz. Polslauwer van Venloon een erfelijke pacht van zes lopen rogge uit het vijfde deel van een hoeve met zijn toebehoren van wijlen Jan van Heyst, gelegen in de parochie Tilburg bij de linde geheten die lijndboem (R. 1187, f. 372). Dit vijfde deel duidt erop dat er vijf kinderen waren. Blijkens een schepenakte van 27 maart 1413 was Jan Polslauwer getrouwd met Liesbet dochter van wijlen Jan van Heyst. Op die dag droeg het echtpaar een aantal goederen over aan hun zwager Hendrik Meusz. van Wickenvoirt (R. 1188, f. 138v.). Het ging hierbij om: – de helft van een beemd geheten die Langbeemt in Tilburg op Qualenwyel; – een huis geheten een boer zonder zijn ondergrond gelegen op erf van wijlen Jan; – het vijfde deel van alle erfelijke goederen en van een woonhuis in de parochie Tilburg dat zij van wijlen Jan geërfd hadden; – het vijfde deel in een erfelijke pacht van 15 lopen rogge Bossche maat die Jan had uit erven in de parochie Alphen ter plaatse geheten Aesvoert; – het vijfde deel van alle erfelijke goederen die Liesbet weduwe van wijlen Jan van Heyst na haar dood zou nalaten en welke goederen zij toen, dus in 1413, bezat (R. 1188, f. 138v.). Met deze laatste mededeling leren we ook de voornaam van Jans weduwe kennen: een niet nader aangeduide Liesbet. Ook wordt in deze akte bevestigd dat het om vijf erfporties ging. Op 5 mei 1419 verkocht Jan van Heyst, zoon van wijlen Pauwels van Heyst, het vijfde deel van tGoet ter Lijnden, dat hij van zijn grootouders Jan van Heyst en Liesbet had geërfd, en alle roerende en onroerende goederen die hij van hen geërfd had aan Hendrik Meusz. van Wickenvoirt (R. 1191, fol. 121). Deze Jan van Heyst was gehuwd met Aartke Aart van den Bloc (zie R. 1192, f. 406 (17.12.1421) en R. 1211, f. 99 (3.10.1440). In de genealogieën op het web wordt deze laatste vaak abusievelijk aangeduid als echtgenote van zijn gelijknamige grootvader. Als vijfde kind van Jan Pauwelsz. van Heyst de oude mag men misschien een Katelijn dochter van Jan van Heyst zien. Deze was in eerste huwelijk getrouwd met Aart Aart Emmen en overleed vóór 2 juli 1420 (R. Oisterwijk 143, f. 62v.). Het echtpaar had een zoon Jan, die zich ook Van Heyst noemde of althans zo genoemd werd (R. 1218, f. 327 (1.2.1448): Iohannes de Heyst, filius quondam Arnoldi Emmen). |
||
|
Generatie III Bronnen GAHt, R. 's-Hertogenbosch 1182, blz. 481 (14.4.1401), blz. 517 (4.5.1401), blz. 568 (11.6.1401); 1185, f. 224v. (27.10.1407), f. 308-308v. (17.3.1408), 1186, f. 121 (28.3.1409); 1187, f. 300 (15.1.1412); 1189, f. 122-122v. (30.4.1415). RAT, R. Oisterwijk 143, f. 12 (30.1.1418), f. 22v. (8.4.1422). GAHt, R. 's-Hertogenbosch 1191, f. 121 (5.5.1419); 1193, f. 301-302v. (30.1.1423); 1194, f. 114v. (3.6.1424). RAT, R. Oisterwijkl 146, f. 36 (28.10.1429). |
Jan Jans van Heyst geb. omstr. 1355, overl. voor 27.10.1407; tr. omstr. 1380 Mechteld Lang Daneels, overl. na 30.1.1423?; uit dit huwelijk: 1 Jan, overl. voor 28.10.1429, tr. Liesbet Jan Weeldmans, overl. voor 28.10.1429; 2 Daneel (zie volgende generatie). 3 Pauwels, overl. voor 30.4.1415? Jan Jans van Heyst zien we voor het eerst met zekerheid optreden in 1401, toen Goiart Goiarts van Heyst hem een ½ mudzaad land op Stoc hasselt in erfelijke pacht gaf (zie hierboven onder generatie III). Zijn vader gebruikte toen zijn naastingsrecht. Hij is jong overleden. Op 27 oktober 1407 waren zijn vader, zijn weduwe Mechteld lang Daneels, en hun beider kinderen aanwezig in de schrijfkamer van de Bossche schepenen voor de aankoop van een pacht van een mud rogge (R. ’s-Hertogenbosch 1185, f. 224v.). De weduwe, waarschijnlijk Tilburgse van geboorte, zal het boerenbedrijf in Tilburg in de Stokhasselt met haar drie zonen hebben voortgezet. Zoon Pauwels lijkt al jong te zijn overleden. Zoon Jan trouwde met de Goirlese Liesbet Jan Weeldmans en overleed kinderloos in 1429. Daneel (zie volgende generatie) erfde (een deel van) de nalatenschap van zijn broer (R. Oisterwijk 146, f. 36). Een door wijlen M. Spierings gemaakt fiche verwijst voor Mechteld lang Daneels, weduwe van Jan van Heyst, naar een Bossche schepenakte in R. ’s-Hertogenbosch 1184, f. 199 (jaren 1405/06), maar ik heb deze akte daar niet aangetroffen en houd me aanbevolen voor de juiste vindplaats (contact). In 1409 is er sprake van een stuk grond dat Mechteld Danels, in wie we de weduwe van Jan van Heyst herkennen, van Pauwels Goiartsz. van Heyst had verkregen (R. 1186, f. 121 (28.3.1409); ook R. 1187, f. 300 (15.1.1412)). Een Bossche schepenakte van 30 april 1415 leert ons dat zoon Pauwels waarschijnlijk overleden was. De weduwe en haar inmiddels volwassen geworden zoons Jan en Daneel droegen toen de helft in een stuk grond geheten den Boghart in de Stokhasselt, welke helft ten behoeve van zichzelf en haar kinderen van Pauwels en Goiart zonen van wijlen Goiart van Heyst had verkregen, over aan Gerit Schilder, die al de andere helft bezat. Vervolgens transporteerde Gerit aan de weduwe en haar kinderen een stuk grond van een half mudzaad in de Stokhasselt, dat aan Goiart Pauwelsz. van Heyst had toebehoord. Volgens een aantekening onder de akte moest de grosse van de oorkonde aan de broeders Jan en Daneel worden gegeven (R. ’s-Hertogenbosch 1189, f. 122-122v.). Gerit Schilder had alle goederen van Goiart Pauwelsz. van Heyst van Gijsbrecht Jacobsz. door middel van een Oisterwijks schepenvonnis gekocht (zie ook R. 1189, f. 189v. (22.8.1415) en R. 1191, f. 147v. en 151 (13 of 14.7.1419). Zoon Jan, zoen wilner Jans van Heijst, erkende met vijf anderen op 28 oktober 1418 dat zij aan Marcelis Wijtman Geritsz. zes lopen rogge verkocht hadden (R. 143, f. 6v.). Op 30 januari 1418 verkochten Geertruid Willem Grietenz. en haar kinderen aan de weduwe totter tochten – dit wil zeggen in vruchtgebruik – en aan haar kinderen ter erfelichen te bliven een bunder beemd in Tilburg inden Brant. Frank Willem Grietenz. deed hierbij afstand van zijn recht (R. Oisterwijk 143, f. 12). In 1422 strekte een stuk grond in Tilburg aen die Horenvoirt aan erf van Mechteld en haar kinderen (R. ’s-Hertogenbosch 1192, f. 479v.). Mogelijk is Mechteld in 1422 overleden. Op 8 april 1422 verkocht Aart Wouter de Beer (sBeren) een mud rogge erfelijke pacht dat Jan Pauwels van Heyst betaalde uit enen goede geheijten ter Lijnden met alle sijnre toebehoerten ende voert uut allen sinen auden goeden soe waer die gelegen sijn aan de gebroeders Jan en Daneel van Heyst. Simon Herman sHeerden deed hierbij afstand van zijn naastingsrecht (R. Oisterwijk 143, f. 22v.). Maar het ‘wijlen’ ontbreekt voor Mechteld nog in een belending van 14 februari 1423 (R. Oisterwijk 144, f. 73). Op 30 januari 1423 vonden er belangrijke transacties plaats voor de gebroeders afzonderlijk (R. 1193, f. 301-302v.). Zie hiervoor onder de volgende generatie. |
||
|
Generatie IV Bronnen GAHt, R. 's-Hertogenbosch 1185, f. 224v. (27.10.1407); 1189, f. 122-122v. (30.4.1415). RAT, R. Oisterwijk 143, f. 6v. (28.10.1418), f. 22v. (8.4.1422). GAHt, R. 's-Hertogenbosch 1193, f. 301-302v. (30.1.1423); 1194, f. 63 (27.1.1425). RAT, R. Oisterwijk 146, f. 36 (28.10.1429; 1.5.1430), los vel bij f. 31 (11.11.1429); 147, f. 8v. (6.2.1430), f. 24v. (1.5.1430); 148, f. 26v. (7.10.1433); 149, f. 42v. (7.2.1437). GAHt, R. 's-Hertogenbosch 1210, f. 365v.-366 (24.9.1440); 1211, f. 291v. (14.12.1440), f. 294v. (7.1.1441); 1212, f. 113v.-114 (13.1.1442; 18.1.1442), f. 234 (13.1.1443), f. 235 (18.1.1442), 157v. (29.3.1442), f. 178v. (7.6.1442); 1213, f. 172v. (19.1.1443), f. 221v. (6.6.1443), f. 305v. (19.9.1443); 1214, f. 9 (31.10.1443), f. 227v. (31.10.1443), f. 134v. (7.11.1443; 9.11.1443;14.11.1443), f. 228 (9.11.1443), f. 180 (2.4.1444); 1215, f. 34 (20.1.1445); 1216, f. 290v. (17.2.1446), f. 341 (31.3.1446), f. 230-230v. (1.7.1446), f. 322 (1.7.1446), f. 252 (13.8.1446); 1217, f. 443v. (21.3.1447). ARA Brussel, Rekenkamers 45073 (cijnskring Oisterwijk; 1448), f. 45. GAHt, R. 's-Hertogenbosch 1218, f. 328v. (8.2.1448), f. 125v. (30.3.1448), f. 395 (9.7.1448); 1220, f. 204-204v. (11.3.1450); 1221, f. 321v. (18.6.1450); 1222, f. 263 (22.1.1452), f. 43 (14.03.1452), f. 81v. (27.7.1452), f. 120v. (1.9.1452); 1223, f. 133 (2.3.1453), f. 218 (25.5.1453), f. 140 (30.5.1453). RAT, R. Oisterwijk 161, f. 24 (10.9.1453), f.27 (7.11.1453), f. 27v. (23.11.1453). GAHt, R. 1224, f. 15 (24.11.1453), f. 324v. (13.12.1453), f. 22v. (29.12.1453), f. 36-36v. (7.2.1454), f. 106v. (21.2.1454), f. 109v. (30.3.1454); 1225, f. 370 (27.2.1455), f. 83 (19.6.1455), f. 102 (14.8.1455); 1226, f. 2v. (4.10.1455), f. 207 (16.10.1455), f. 61 (5.2.1456), f. 451 (5.2.1456), f. 452v. (5.2.1456), f. 479v. (3.3.1456), f. 108v. (20.5.1456), f. 163v. (16.9.1456); 1227, f. 330v. (4.12.1456), f. 248 (25.5.1457), f. 436 (24.6.1457), f. 457 (20.8.1457); 1228, f. 253v. (29.10.1457), f. 333 (29.10.1457), f. 114 (24.12.1457), f. 279 (16.2.1458); 1230, f. 140 (11.10.1459); 1231, f. 26v. (5.12.1460), f. 89v. (13.3.1461), f. 153 (4.9.1461); 1801, f. 16v. (14.3.1461; 14.11.1443); 1232, f. 13v. (24.11.1461); 1234, f. 197v. (30.1.1464); 1236, f. 98v. (13.6.1467); 1237, f. 51 (22.8.1468); 1238, f. 241v. (29.9.1469), f. 193v. (8.1.1470); 1239, f. 127 (27.1.1470), f. 44v. (31.1.1470); 1801, f. 151 (10.7.1470); 1240, f. 221v. (30.1.1471), f. 107v. (23.3.1471), f. 248 (29.3.1471; 1.4.1471), f. 252 (4.4.1471), f. 360v. (26.4.1471); 1245, f. 207 (1.2.1476). |
Daneel Jans van Heyst geb. omstr. 1385, overl. voor 1.2.1476; tr. omstr. 1425 Heilwig Simon Hermans die Heerde en van Liesbet; kinderen: 1 Jan, tr. voor 10.9.1453 Heilwig Gerit Krillarts (Crillarts); 2 Herman (zie volgende generatie); 3 Pauwels; 4 Mechteld, tr. Gijsbrecht Jan van Klootwijk (Cloetwijck); 5 Liesbet, tr. Andries Jan van Beurden. Zoals uit de vele bewaard gebleven transacties blijkt, heeft Daneel een lang en actief leven gehad. Over hem heb ik op 18 november 2010 voor de Heemkundekring "Tilborch" een lezing gehouden onder de titel 'Daneel van Heyst. Een vijftiende-eeuwse Tilburger en zijn omgeving'. Onder deze koppeling vindt u een samenvatting van mijn lezing. Pas in een Bossche schepenakte van 13 maart 1461 wordt de naam van Daneels vrouw Heilwig vermeld (R. 1231, f. 89v.): Daniel dictus de Heyscht tamquam maritus et tutor legitimus ut dicebat Heilwigis sue uxoris, filie Symonis dicti die Heerde, filii Hermanni, ab eodem Symone et quondam Elizabet sua dum vixit uxore pariter genite. Daneel deed overigens al in 1422 zaken met zijn (waarschijnlijk latere) schoonvader Simon die Heerde (R. Oisterwijk 143, f. 22v.). Deze was net als Daneel gegoed in de Stokhasselt in Tilburg. Op deze plaats behandel ik ook de lotgevallen van Daneels broer Jan, die al in 1429 zou overlijden. Zoals bij de vorige generatie is vermeld, verkregen zij op 8 april 1422 gezamenlijk een erfelijke pacht (R. Oisterwijk 143, f. 22v.). Op 30 januari 1423 verkregen de gebroeders afzonderlijk een aantal goederen in Tilburg, waarschijnlijk allemaal in de Stokhasselt. Op die datum gaf Reinier Krillart, zoon van wijlen Gerit Krillart in erfelijke pacht aan Jan: – een tuin van Goiart van Heyst ter plaatse geheten ter Lijnden; – de helft van een akker land en van een daaraan liggend stuk weiland, geheten die Lijndecker; – het derde deel plus 8 roeden van een streep akkerland, gelegen bij de draaiboom, geheten die Acker; – het derde deel van een stuk akkerland geheten die Heidrieschecker; – het derde deel van een stuk land geheten die Hogenbrem; – het derde deel van een akker land geheten die Pachtacker. Behalve de lasten die er al uitgingen moest Jan twee mud rogge Bossche maar aan Reinier betalen. Reiniers broer Gerit Krillart, zoon van wijlen Gerit, deed afstand van zijn naastingsrecht. De pacht mocht worden afgekocht. Hierna gaf Reinier Krillart aan Daneel van Heyst en aan Simon zoon van wijlen Herman des Heerden – mogelijk toen al zijn schoonvader – in erfelijke pacht: – een stuk land geheten dat Bosch, deels akker-, deels weiland; – het derde deel van de hierboven genoemde Heidrieschecker; – het derde deel van de genoemde Hogenbrem; – het derde deel van de Pachtacker; – het derde deel van de streep land minus 16 roeden bij de draaiboom, geheten die Acker; voor de oude lasten en voor 1½ mud rogge aan Reinier. Ook hier deed Gerit Geritsz. Krillart afstand van zijn naastingsrecht. Ook deze pacht kon worden afgekocht. Tot slot gaf op dezelfde datum Reinier Krillart aan zijn broer Gerit in erfelijke pacht: – een stukje akkerland in de landen geheten der Heistinghlant; – het derde deel en 8 roeden van een streep land ter plaatse geheten die Eckerijnde; – het derde deel van de genoemde Heidrieschecker; – het derde deel van die Hogenbrem; – de helft van van een akker land en daaraanliggend stuk weiland, geheten die Lijndacker; eveneens voor de oude lasten en 1½ mud rogge Bossche maat en de mogelijkheid tot afkoop van de pacht. R. 1193, f. 301-302v. De pacht van 2 mud rogge die Jan van Heyst moest betalen werd op 3 juni 1424 door Reinier Krillart aan hem overgedragen (R. 1194, f. 114v.). Op 27 januari 1425 gebeurde dit met de pacht van 1½ mud rogge die Daneel van Heyst en Simon Hermansz. die Heerde aan Reinier moesten betalen (R. 1194, f. 63) en op 6 juni 1426 met die van Reiniers broer Gerit (R. 1197, f. 110). Hun landerijen waren dus van deze pacht bevrijd. In 1429 of kort daarvóór kwamen Jan van Heyst, zijn vrouw Liesbet Jan Weeldmans en wellicht ook hun kinderen te overlijden, mogelijk ten gevolge van de pest of een andere besmettelijke ziekte. Op 28 oktober van dat jaar verschenen de familieleden van Liesbet voor de Oisterwijkse schepenen en deden daar afstand van hun recht op een deel van de erfenis. Het ging daarbij om allen
recht ende gedeelte hen toebehorende inden erfenissen ende goede hier
nae
gescreven, gelegen in Westilborch; inden irsten in enen hof gelegen
inden goede
geheyten ter Lijnden tusschen die Stochasselt ende die Horevort al om
ende om
inder gemeynten; item in een stuc lands geheyten die Lijndacker met
synre
toebehorten aen die Lijnde, gelegen inter hereditates Gherits Crillarts
ab
utraque parte, streckende vander erfenis Reyneer Crillarts totter
ghemeynten
toe aen die Lijnde; item een stuc lands geheyten die Streep inter
hereditatem Danel
Jans soen van Heyst ab utraque parte et eciam cum uno fine aen Danel
vorscreven, cum alio fine ad communitatem; item in een stuc lants
geheyten den
Hoghen Brem inter Danel vorscreven ab uno et inter Meeus Wickenvoert ab
alio;
item in een stuc lants geheyten den Heydriesch inter Daneel vorscreven
ab
utraque parte; item hennen gedeelten in die husinge daer quondam Jan
van
Heyst Jans soen ende Lysbet Jan Weeldmans dochter, sijn wijf, in
bestorven
sijn, ende gelyc als dese erfenissen ende husinge vorscreven hen
toecomen ende
verstorven syn van quondam Jan van Heyst Jans soen van Heyst, van
Elisabetten
sinen wive ende van horen kijnderen, als si seiden (R.
Oisterwijk 146, f. 36).
We vinden hierin verschillende landerijen terug die Reinier Krillart destijds aan Jan in erfelijke pacht had gegeven. Door deze overdracht werd het vermogen van Daneel aanzienlijk vermeerderd. In de komende jaren zien we hem regelmatig grond en inkomsten uit grond kopen en verkopen. De meeste grondstukken lagen rondom Ter Linden, waar hij woonde: in de Stokhasselt en aan de Horenvoert. Op 11 november 1429 kocht Klaas Wouter roij Gerijs zoen van Daneel drie lopen land genaamd de Bergakker, gelegen in de Ronde Hasselt in Tilburg (R. Oisterwijk 146, f. 31) en op 6 februari 1430 deed Jan Goiartsz. van Heyst ten behoeve van Daneel afstand van een stuc lands houdende een half mudsaet lands of daerontrent, gelegen in Westilborch aen die Stochasselt inter hereditatem Meeus Wyckenvoert ab uno et inter Jan Start ab alio, cum uno fine ad communem plateam aen die Stochasselt et cum alio fine ad hereditatem Symon sHeerden (R. 147, f. 8v.). Op 1 mei 1430 verkochten Peter Petersz. van Beurden en Daneel, mede voor zijn broer Jan als erfgenaam, aan Hendrik Petersz. Snijders hun recht op anderhalf mud rogge erfelijke pacht (R. Oisterwijk 147, f. 24v.). Op 7 oktober 1433 kocht Daneel van Gielis Godschalksz. van den Tolberch, weduwnaar, en zijn kinderen verkregen bij Eefse Klaus Wouter Huben, een huis en tuin aan die Horenvoert (R. Oisterwijk 148, f. 26v.). Op 7 februari 1437 verkocht hij een erfelijke pacht van en half mud rogge, dat Jan zoon van wijlen Pauwels gekocht had van Heilwig dochter van wijlen Herman Bacs, uit een huis en tuin optie Hoeven, aan Lambrechte geheyten die Groet, zoen quondam Wytman sGroten (R. Oisterwijk 149, f. 42v.). Op 24 september 1440 verkochten Jan Peter Noudenz. en Jan Woutersz. van den Velde als Heilige-Geestmeesters (armmeesters) van Tilburg aan Daneel een akker geheten den Hecacker en een stukje daaraanliggende heide van ongeveer twee mudzaad in Tilburg aen die Horenvoert (R. 1210, f. 366). Het goed was belast met grondcijnzen en een erfelijke pacht van 1½ mud rogge, die Daneel voortaan zou betalen. Bovendien beloofde hij de armen van Tilburg vier jaar lang 2½ mud rogge Tilburgse maat op Maria Lichtmis en 100 peters vanaf Marie Lichtmis over drie jaar. Het was dus kennelijk niet zo dat hij dergelijke aankopen contant kon betalen. Of het moet zijn dat een dergelijke voldoening van de koopsom op verzoek van de Heilige-Geestmeesters is gedaan. Op 7 januari 1441 erkenden Hendrik Peter Snijders en Daneel van Heyst van Hendrik Kroeck (doorgaans Croeck), zoon van Hendrik Wijnbroet, te hebben ontvangen 48 schapen ad ius stabilicionis, ‘te schattingsrecht’ – een vorm van exploitatie –, gedurende drie jaar vanaf Pinksteren naastkomend. Zij zouden deze kudde gedurende drie jaar op eigen kosten houden, waarbij de opbrengsten half voor Hendrik Snijders en half voor Hendrik Croeck zouden zijn en na afloop van de termijn de kudde half voor de een en half voor de ander. Hendrik Peters beloofde hierbij Daneel schadeloos te houden. Het aandeel van Daneel in deze transactie is niet duidelijk. Mogelijke heeft hij voor het houden van de schapen een geldbedrag ontvangen (R. 1211, f. 294v.). Hendrik Croeck, zoon van Hendrik Wijnbroet, was vleeshouwer in ’s-Hertogenbosch en de weduwnaar van Korstien dochter van Hendrik Meusz. van Wickenvoirt en van Mechteld Jan Pauwelsz. van Heyst (R. 1220, f. 37-37v. (9.1.1450)). Hij was dus een aangetrouwd familielid van Daneel. Uit een belending blijkt dat hij in 1433 samen met Meus van Wickenvoirt bezit had in Tilburg aan die Horenvoert (R. Oisterwijk 148, f. 26v.: ad hereditatem Meeus Wijckenvoert ende Heyn Croeck). Op 19 september 1443 droegen Michiel Klaas Wouter Roygeenkens soen zes en vier lopen rogge uit een stuk land geheten die Horenvoert over aan Daneel zoon van wijlen Jan van Heyst (R. 1213, f. 172v.) en op 6 juni van dat jaar verkocht hij zelf een pacht van een mud rogge Bossche maat uit die Lyndecker en een daaraanliggende weide ter plaatse geheten Ter Linden (R. 1213, f. 221v.) Eveneens in hetzelfde jaar beloofde Daneel 30 Rijnsgulden aan Hendrik Lambertsz. Kloeten en samen met Hendrik Croeck vleeshouwer en Aart Aartsz. van Loet aan de Bossche lombard Matheus de Boudranis 24 Rijnsgulden. Bij deze laatste lening beloofde hij de anderen schadeloos te houden (R. 1213, f. 305v.). Op 31 oktober van hetzelfde jaar 1443 verkocht hij een stuk land van 7 lopenzaad minus 12 roeden in de Stokhasselt aan Jan die Heerde, zoon van wijlen Jan die Heerde (R. 1214, f. 227v.). Gerit Hendrik Hermansz. verkocht op 14 november 1443 een pacht van een mud rogge Bossche maat aan Daneel, afkoopbaar met 40 peters (R. 1214, f. 134v. nw.). Op 2 april 1444 verkocht Hendrik Snijder, zoon van wijlen Peter Snijder, een stuk beemd in Tilburg ter plaatse geheten Dalem aan Daneel (R. 1214, f. 180). (wordt nog aangevuld) Op 1 februari 1476 wordt Daneel voor het eerst vermeld als overleden (R. 1245, f. 207): Hermannus filius quondam Danielis de Heyst. ![]() Het noordoostelijk gedeelte van Tilburg op de topografische manuscriptkaart van 1837/39. De familie Van Heyst woonde aanvankelijk op het Goed ter Linden in de Stokhasselt bij de Lindschehoek, linksboven op de plattegrond. Vanaf de zestiende eeuw vinden we mijn voorouders eerst in de Heikant (vanaf generatie V) en daarna op Loven in de Rauwbraken – het bosgebied op de plattegrond – en vervolgens naar het zuiden toe aan de Pelgrimsweg – op de kaart Pelgrimspad – (vanaf generatie VIII), noordelijk van de Oisterwijksebaan (de weg van Tilburg naar Heukelom en Oisterwijk), rechtsonder op de kaart. Ze zijn dus in de loop van de eeuwen langzaam in zuidoostelijke richting verhuisd. |
||
|
Generatie V Bronnen GAHt, R. 's-Hertogenbosch 1221, f. 155 (20.2.1451); 1226, f. 207 (16.10.1455), f. 108v. (20.5.1456), f. 163v. (16.9.1456); 1240, f. 360v. (26.4.1471); 1241, f. 185v. (9.1.1472); 1245, f. 207 (1.2.1476); 1251, f. 558 (8.2.1482), f. 591 (4.5.1482); 1260, f. 106v. (17.7.1491); 1265, f. 130v. (28.1.1496). RAT, R. Tilburg 254, blz. 14 (25.1.1501), blz. 6 (10.5.1501), blz. 38 (14.6.1501), blz. 46 (16.10.1501), blz. 47 (15.11.1501); 255, blz. 23 (21.3.1502), blz. 24 (20?.3.1502), blz. 39 (3.5.1503); 257, f. 7, 8 en 14 (1505). Koninklijke Bibliotheek Brussel, Hs. II 2802 (Liber anniversariorum van Tilburg; op 20.8), afgedrukt door P.C. Boeren, 'Het oudste Liber Anniversariorum der kerk van Tilburg', Bossche Bijdragen 22 (1953-1955) 116-144, ald. 135. |
Herman Daneels van Heyst geb. omstr. 1430, overl. omstr. 1503; tr. omstr. 1455 Liesbet; kinderen: 1 Cornelis (zie volgende generatie); 2 Gerit, tr. (1) Aleid Jan van Son, tr. (2) Kathelijn Andries Hendriks; 3 Simon; 4 Peter; 5 Mechteld, tr. Wouter Couytten (van Breda); 6 Luitgard, tr. Jan Rombouts; 7 Heilwich, tr. Gerit Claus van Ethen; 8 Margriet, tr. Lambert Jan van Beurden; 9 Marie, tr. Aart Goiarts; 10 Liesbet, tr. Willem Mutsaerts. In het tussen 1502 en 1509 aangelegde jaargetijdenboek van de parochie Tilburg (Koninklijke Bibliotheek Brussel, Hs. II 2802) staat onder 20 augustus: Anniversarium Hermanni de Heyst et Elisabeth uxoris eius, et legavit domino investito pro anniversario decantando tria lopina siliginis hereditarie pactionis de et ex hereditatibus Cornelii filii eius, que tria lopina nunc solvit Cornelius Heysten aen die Heijdsijde. Hij schonk dus drie lopen rogge aan de pastoor voor het zingen van zijn eigen jaargetijde en dat van zijn vrouw Liesbet, te betalen uit de goederen van zijn zoon Cornelis (zie generatie VI).Toen het boek in het begin van de zestiende eeuw werd aangelegd, woonde deze in de Heikant. In 1503 was Herman nog in leven. In akten uit 1505 (RAT, R. Tilburg 257, f. 7, 8 en 14) wordt vermeld dat Herman overleden was: Gherit zoen wilner Herman Heysten. |
||
|
Generatie VI |
Cornelis Hermans (van Heyst) geb. omstr. 1460, overl. 1528/29; tr. omstr. 1490 Peterke Wouter Verschueren, overl. voor 14.3.1528; uit dit huwelijk: 1 Daneel, tr. Corneliske Jan Elen Mutsaerts; 2 Ariaan, tr. Corneliske Gijb van Beurden 3 Pauwels (zie volgende generatie); 4 Herman, tr. (1) Goiartke, tr. (2) Magdalena Peter Mutsaerts; 5 Peter, tr. Ieke Adriaan Zomers; 6 Joriske, tr. Adam Hendrik Damen; 7 Corneliske, tr. Michiel Gerit Jan Wouters; 8 Margriet, tr. Gerit Vrank Lemmens. |
||
|
Generatie VII |
Pauwels Cornelis Hermans geb. omstr. 1495, overl. omstr. 1550; tr. (1) omstr. 1520 Hendrikske Peter Pulskens, overl. voor 1541; tr. (2) 1542 Cecilia Cornelis Jan Pauwels; uit (1): 1 Joost, tr. Bartholomea Jan de Beer; 2 Anna, tr. Jan Wouters Vermee; 3 Peter (zie volgende generatie); 4 Corneliske, tr. Joost Herman Peters; 5 Adriana, tr. Cornelis Cornelis Peter Mutsaerts; 6 Aleid, tr. Cornelis Pauwels Hendrik Smolders; 7 Jan, tr. Mechteld Thonis Thonis van Beurden; uit (2): 8 Cornelis, tr. Deliana Jan Scheiren; 9 Hendrikske, tr. Jan Jan Peters; 10 Jan. |
||
|
Generatie VIII |
Peter Pauwels Cornelis Hermans geb. omstr. 1530, begr. Tilburg 17.7.1618; tr. omstr. 1555 Adriana Marten Antonis Willem Zegers, geb. omstr. 1535, overl. voor 8.10.1591; uit dit huwelijk: 1 Thomas, overl. Tilburg 19.8.1604, pauper. 2 Pauwels (zie volgende generatie); 3 Marie, tr. Willem Willem Jansen Verschueren; 4 Aleid, tr. Servaas Anthonis Mattheus Wouters; 5 Heilwich, tr. Klaas Huibert Goiart Smitten; 6 Marten; 7 Jan, tr. Tilburg 5.2.1605 Jenneke Jan Cornelis Brocken; 8 Cornelia, tr. Tilburg 1.12.1601 Jacob Adriaan Jacobs van Aalst; 9 Jenneke, tr. Tilburg 20.1.1605 Jan Peter Gerit Beykens; 10 Hendrikske, tr. Cornelis Aart Corsten van Gilze. |
||
|
Generatie IX |
Pauwels Peter Pauwels Cornelissen geb. omstr. 1565, ol. Tilburg voor 24.4.1609; tr. omstr. 1595 Anna Cornelis Hendrik Gerit Smolders, geb. omstr. 1570, overl. Tilburg voor 16.1.1634; uit dit huwelijk: 1 Adriana, tr. Jan Adam Cornelis Damen; 2 Cornelis; 3 Jan (zie volgende generatie); 4 Maaike, overl. voor 16.2.1645, tr. Peter Jan Adriaansen van Riel. |
||
|
Generatie X De verkoop van de onroerende goederen in de nalatenschap van Jan Pauwels Peters en Maria Joost Deckers voor de Tilburgse schepenen op 3 februari 1674 (RAT, R. Tilburg 373, f. 10): Adriaen soone wijlen Jan Paulus heeft wettelijck ende erffelijck vercocht, opgedragen ende overgegeven aen ende ten behoeve van Huijbert Huijbert Brocken een huijsken ende hoff met den hout (?) daer opstaende, groot anderhalff loopensaet oft daerontrent begrijpende, nochtans soo groot ende cleijn als tselve gestaen ende gelegen is binnen de parochie van Tilborch ter plaetse genoemt Looven, aldaer tusschen erffenisse west Huijbert Brocken, oist Cornelis Huijbert Ancems, suijt Marten Gerit Claes, noorden de straet, los ende vrij, uytgenomen twee loopen seven ende een halff commen erffrogge jaerl. aende rentmeester Van Deurssen tot ’s Bosch. Ende heeft etc., gelovende etc., allen commer etc., pro ut in forma. Actum 3 febr. 1674. Scabini Versteegh de relatu Wijtens. Bartholomeeus, Adriaen ende Peeter gebroeders, soonen wijlen Jan Paulus Peeters, daer moeder aff was Maria Joost Deckers, Jan Willem Jan Jochems als man ende momboir Paulina sijne huijsvrouwe, Cornelis Laureijs Claes als man ende momboir Anna sijne huijsvrouwe, Peeter Michiel Wytens als man ende momboir Maria sijne huijsvrouwe, gesusteren, dochteren wijlen Jan Paulus Peeter ende Maria Joost Deckers voorschreven, hebben wettelijck ende erffelijck vercocht ende mits desen opgedragen ende overgegeven aen ende ten behoeve van Cornelis Huijbert Ancems een parcheel ackerlants, groot twee ende een halff loopensaeten off daerontrent begrijpende, gelegen binnen de parochie van Tilborch ter plaetse genoemt Looven, aldaer tusschen erffenisse Wouter Hendrick Emmen oist, west de gemeijne straet, suijt Cornelis Huybert Ancems, noort de weduwe Jan Huijbert Brocken, los ende vrij, ende dit mette gerechticheijt van te wegen als oock te gedoogen het wegen als van outs. Ende hebben etc., gelovende etc., allen commer etc., pro ut in forma. Actum 3 febr. 1674. Scabini Versteegh et Wijtens. |
Jan Pauwels Peter Pauwels geb. Tilburg omstr. 1600, begr. Tilburg 17.7.1659; tr. Tilburg 22.1.1628 Maria Joost Deckers, geb. Enschot, overl. Tilburg 15.12.1673; uit dit huwelijk: 1 Paulijn, ged. Tilburg 30.11.1628, begr. Tilburg 25.2.1663 (pr.) Jan Willem Jan Jochems van Os, wednr. van Maddeleen Michiels; 2 Bartholomeus, ged. Tilburg 8.9.1632 (zie volgende generatie); 3 Anna, ged. Tilburg 29.4.1635, tr. Tilburg 25.1.1660 (pr.) Cornelis Laureis Klaas; 4 Adrianus (Kronenburg?), ged. Tilburg 28.3.1640, tr. Tilburg 28.11.1666 (pr.) Anneke Jan Peter Zegers; 5 Arnoldus, geb. Tilburg, ged. Alphen 23.9.1642, begr. Tilburg 9.2.1668, tr. Tilburg 29.4.1663 (pr.) Teuntje Peters; 6 Maria, geb. omstr. 1645, tr. Tilburg 7.4.1669 (s.) Peter Michiel Adam Wijtens; 7 Petrus (Kronenburg?), ged. Tilburg 15.9.1648, tr. Tilburg 21.12.1670 (pr.) Grietje Beris Emmen. Mijn voorvader Jan Pauwels Peters is rond 1600 in Tilburg geboren. Op 22 januari 1628 trouwde hij met de Enschotse Maria Joost Deckers. Uit dit echtpaar werden zeven kinderen geboren, waarvan het eerste nog in 1628 en het laatste in 1648. Opmerkelijk is dat ze niet alleen allemaal volwassen zijn geworden, maar ook nog allemaal getrouwd. Toen de vader in 1659 overleed, waren er nog vier onmondige kinderen. Zoon Bartel, mijn voorvader, zal in beginsel het boerenbedrijf hebben voortgezet. Het moet een armoedige bedoening zijn geweest. Dat zoon Arnoldus (Aart) gedoopt is in Alphen is te wijten aan de vlucht van de katholieke geestelijkheid voor de geloofsvervolging uitgevoerd door de legers van de protestantse Republiek der Verenigde Nederlanden. In het Land van Breda, waar Alphen in lag, dat ook onder de Republiek viel, regeerden de Oranjes, die een grotere geloofsvrijheid toestonden. In het register van de reële omslag van 1658 van de herdgang Loven wordt gesproken van Jan Pauwels Peters lant 2¼ lop. met een keetken, getaxeert op 3 – 11 – 0 (RAT, Oud adm. arch. Tilburg 291-3). In de kantlijn staat hierbij aangetekend Pro Deo, wat waarschijnlijk betekende dat men niet kon betalen. Wellicht was de vader toen al ziek. In 1662 luidde de vermelding in het register van de reële omslag (RAT, Oud adm. arch. Tilburg 291-4): Looven
Zelfs het
keetje was dus nog belast met een niet geringe cijns: er moest
jaarlijks 3 gulden en 15 stuivers uit betaald worden.De weduwe Jan Pauwels Peters een keetken, 2¼ lopensaet lant aen de Houtstraet, geheyten Peer Maeys stede, belast met 3 gulden 15 stuyvers tot Breda aenden kinderen Peeter Pasch. In zijn Beschrijvinge der stadt ende
Meijerije van ’s Hertogenbossche (Amsterdam 1649) 9, zegt Jacob
van Oudenhoven over de boeren in de
Meierij in die tijd:
Haren ordinairen Lijftocht is seer sober. Gebraden knollen, dewelcke de spijse van dien grooten Roomschen Curius Dentatus waren, zijn hare delicatessen. Des somers gaen sij veel blootvoets, ende hebben dat met de luijden van de warme landen ghemeijn, ende des winters gaen sij op zijn Boheems gheschoeijt met holle- of houte Blocken. – Om slecht gelogeert, gebedt, ghekleedt en getracteert te zijn, en behoeft daer de ghemeijne Man in geen Clooster te gaen, maer vele gaen daer inne de strengste Clooster-Ordens verre te boven. In hare armoede zijn sij seer wercksaem, ende doorgaens stercke, ghesonde ende welvarende Luijden, ende komen vele tot enen seer hooghen ouderdom. Een en ander zal ook op veel van mijn voorouders van toepassing zijn geweest. Opmerkelijk is in ieder geval dat de kindersterfte niet heel hoog was. En wat die hoge ouderdom betreft: iemand van zeventig werd al heel oud gevonden. De eerste uit het gezin die trouwde – in Tilburg (pr.) op 25 januari 1660 – was Anneke. Zij huwde met Cornelis Vreis Klaas uit Enschot. Bij het huwelijk verscheen haar broer Adriaan in plaats van hun moeder. De oudste, Paulijn, zal met de smid Jan Willems Jan Jochems van Os, weduwnaar van Maddeleen Michiels, een goede partij gevonden hebben. Na haar huwelijk op 25 februari 1663 zien we hem verschillende malen voor de familie optreden. Een nog betere huwelijkspartij was Peter Michiel Adam Wijtens, die op 7 april 1669 trouwde met Marie. Hij was afkomstig uit een gegoede Tilburgse familie. Dat het echtpaar voor de voltrekking van het burgerlijk huwelijk niet gratis voor de predikant trouwde, maar betaald voor de schepenen duidt op zijn welstand. Opmerkelijk is dat twee kinderen, Adriaan en Peter, met de geslachtsnaam Kronenburg werden aangeduid (zie hiervoor M.W.J. de Bruijn, 'Eene pretense staeck. Nakomelingen van Jan Paulus Peters als gepretendeerde erfgenamen van Jan Cornelis Baesten uit Tilburg', in: Ton Reniers (red.), Leo Brabanticus. Liber amicorum voor dr. Leo Adriaenssen ('s-Hertogenbosch 2011) 362-369). Ik heb voor deze naam geen verklaring. De weduwe overleed in Tilburg op 15 december 1673. Al haar kinderen waren toen al getrouwd. Op 3 februari werden de onroerende goederen uit haar nalatenschap verkocht (zie in de kolom hiernaast): – een huisje met tuin en hout (?) daarop, 1½ lopense groot, op Loven, belast met 2 lopen en 7½ kom erfrogge aan de rentmeester van de geestelijke goederen in 's-Hertogenbosch; – een perceel akkerland van 2 lopense aldaar. Het huisje was toen in het bezit van zoon Adriaan. Alle kinderen samen verkochten het stukje akkerland. Dit schamele bezit kwam ongeveer overeen met het vermelde in de registers van de reële omslag van 1658 en 1662. |
||
|
Generatie XI |
Bartel Jan Paulus ged. Tilburg 8.9.1632, begr. Tilburg 25.2.1684; tr. Tilburg 8.2.1665 (pr.) Maaike Jan Dielis, geb. Oosterhout, begr. Tilburg 12.12.1704; uit dit huwelijk: 1 Joannes, ged. Tilburg 17.6.1669, begr. Tilburg 4.10.1688, ongehuwd; 2 Joost, ged. Tilburg 19.1.1671, tr. Oisterwijk 9.12.1696 (pr.) Anna Denis Joosten (zie voor hem en zijn nakomelingen deze koppeling); 3 Joanna, ged. Tilburg 19.1.1671; 4 Martinus, ged. Tilburg 30.11.1673 (zie de volgende generatie); 5 Maria, ged. Tilburg 3.2.1677, tr. Denis Huig Dirken van Vlijmen; 6 Cornelius, ged. Tilburg 30.5.1682, overl. na 1691. Bartel werd op 8 september 1632 in Tilburg gedoopt als tweede kind van Jan Pauwels Peters en Marie Joost Deckers. Hij trouwde in Tilburg op 8 februari 1665 voor de predikant – dit gold toen als het burgerlijk huwelijk – met de uit Oosterhout afkomstige Maaike Jan Dielis. Op 15 februari trouwden ze voor de pastoor. Op 17 juni 1669 werd hun eerste kind, Jan, gedoopt. Hierna werden er nog vijf kinderen geboren, onder wie twee zonen, Joost en mijn voorvader Marten, later de naam De Bruijn zouden krijgen. Van de kinderen is zoon Jan als jongeman overleden; hij werd op 4 oktober 1688 in Tilburg begraven. Ook de dochter Joanna en de zoon Cornelis zullen jong gestorven zijn. Bartel en Maaike woonden met hun gezin, net als hun ouders, in Tilburg op Loven. In 1675 betaalden zij in de gemene middelen 2 gulden en 5 stuivers. Er werd zoutgeld betaald voor één koe (RAT, Oud adm. arch. Tilburg 335) In 1678 en volgende jaren waren er twee koeien. Het is bijna ondenkbaar dat er naast het boerenbedrijf geen bijverdiensten zijn geweest. Wellicht werd er wol gewassen of gesponnen voor de toen bloeiende Tilburgse wolnijverheid. Bartel overleed in 1684. Hij werd op 25 februari van dat jaar in Tilburg begraven. In 1688 overleed ook de oudste zoon, Jan, negentien jaar oud. Dat moet ook in economische zin een gevoelig verlies zijn geweest. In het register van de gemene middelen van 1689 staat de weduwe Pro Deo (RAT, Oud arch. Tilburg 336). In 1692 worden aldaar vermeld: Marie weduwe Bartel Jan Poouwels
Met onder wordt
bedoeld: onder de zestien jaar. Zoon Joost was kennelijk inmiddels het
huis uit.kinderen onder: Mari, Cornelis, Marten Mijn voormoeder Maaike Jan Dielis zou haar man meer dan twintig jaar overleven. Zij werd ter aarde besteld in Tilburg op 12 december 1704. ![]() De huwelijksakte van Bartel Jan Paulus en Maaike Jan Dielis in het trouwboek van de predikant van Tilburg. De tekst luidt: Den 20 januarij syn in
ondertrouw opghenomen Barthel Jan Pauls, jonckman van Tilborgh, out 27
jaeren, wonende te Love – syn broeder Ariaen Jan Pauls compareerde
in plaetse van de moeder – met
Maeycken Jan Dielis, jongedochter van Oosterhout, out 25 jaeren,
woonende alhier te Love, alwaer sy ontrent 12 jaere ghewoont heeft
– haer
neve Jan Willemse compareerde in plaetse van de moeder. Ende nae
onverhinderde proclamatien synse getrouwt den 8 februarij 1665.
|
||
|
Generatie XII ![]() Aantekening in de kantlijn van de akte van huwelijkse voorwaarden van 19 oktober 1708 betreffende de 'uitkoop' van de voorkinderen Jan en Maria de Bruijn. De tekst luidt: Wij ondergetekent, Jan de Bruijn ende Peeter Berthoudt als in huwelijk hebbende Maria de Bruijn, bekenne ontfangen te hebben uyt handen van Lambert Jan Robben als man ende momboir van Cornelia Thomas van Beurden, in dese acte genoemt, de somme van tagentig gulden in voldoeninge der nevensgenoemde uijtcoop, consenterende oversulx in de nevensgenoemde cassatie. Actum Oosterwijck hede den 29 september 1733. (w.g.) Jan de Bruijn. Peeter Berthout. |
Marten Bartels de Bruijn ged. Tilburg 30.11.1673, begr. Udenhout 2.5.1716; tr. (1) Oisterwijk ?.2.1704 (pr.; ond. 19.1) Marie Jan van Buel, begr. Oisterwijk 30.4.1708; tr. (2) Oisterwijk 21.10.1708 (pr.) Cornelia Thomas van Beurden, hertr. Oisterwijk 23.1.1717 Lambert Jan Robben; kinderen uit (1): 1 Bartholomeus, ged. Oisterwijk 4.12.1704, overl. voor 19.10.1708; 2 Joannes, ged. Oisterwijk 23.5.1706, tr. Oisterwijk 22.4.1731 (pr.) Anneke van Haaren, dr van Klaas en Adriana Wagemakers, ged. Oisterwijk 3.10.1705, overl. na 3.12.1760; kinderen:
3
Maria,
ged. Oisterwijk 23.5.1706, tr.
Oisterwijk
21.9.1732 (pr.) Peter Andries Berthout, wednr. van Adriana Putmans;a Simon, ged. Oisterwijk 25.1.1732; b Simon, ged. Oisterwijk 23.3.1733, arbeider, tr. Oirschot 14.10.1759 Henrica Houbraken (Rubraken, Rabraken, Hubraken, Habraken); kinderen: 1 Nicolaas, ged.
Diessen 23.11.1761, begr. Diessen 30.1.1762;
Borgbrief
van 24.9.1760 voor Simon Jans de Bruijn van Oisterwijk naar Diessen.2 Jacobus, ged. Diessen 26.11.1763; 3 Martinus, ged. Diessen 27.10.1764; 4 Catharina, ged. Diessen 6.9.1767; 5 Cornelis, ged. Oirschot 17.5.1770; 6 Theodorus, ged. Oirschot 27.2.1773, tr. Anna Christina van Beerendonck; kinderen ged. Oirschot: Symon 14.1.1797; Godefridus 6.12.1797; Henrica 29.11.1798; Cornelis 14.2.1800; Maria 25.2.1801; Simon 13.8.1802. 7 Johannes, ged. Oirschot 29.11.1775; 8 Martinus, ged. Oirschot 5.4.1781. c Martinus, ged. Oisterwijk 5.3.1734, tr. Tilburg 10.4.1763 (pr.) Joanna Maria Adriaan Deckers (Hoof), geb. Enschot ca. 1737; d Maria, ged. Oisterwijk 22.3.1736; e Jacobus, ged. Oisterwijk 3.7.1738; f Joanna Maria, ged. Oisterwijk 27.5.1740; g Joanna Maria, ged. Oisterwijk 8.6.1741, begr. Diessen 25.5.1809, tr. Diessen 22.5.1768 Peter Hendrik de Brouwer, begr. Diessen 2.2.1807 (Laar); h Johannes, ged. Oisterwijk 8.4.1743, begr. Diessen 7.5.1784; tr. (1) Tilburg (Goirle) 16.4.1769 (pr.) Lucia Jan Jan Couwenberg, geb. Hilvarenbeek ca. 1747; tr. (2) Hilvarenbeek 11.7.1773 (s.) Maria van Akkerveken, geb. Lage Mierde; i Adriana, ged. Oisterwijk 14.8.1749; 4 Bartholomeus, ged. Oisterwijk 24.4.1708, jong gestorven; kinderen uit (2): 5 Thomas, ged. Oisterwijk 1.10.1710 (zie volgende generatie); 6 Bartholomeus, ged. Oisterwijk 3.2.1713, jong overleden ![]() Fragment van de topografische kaart 1958 (schaal 1:100.000) van het gebied van Udenhout, Berkel, Enschot, Heukelom en Oisterwijk, gelegen ten noordoosten van Tilburg. Hier heeft mijn familie van vaderskant vanaf het begin van de achttiende tot het eind van de negentiende eeuw haar domicilie gehad. Marten werd op 30 november 1673 in Tilburg gedoopt als zoon van Bartel Jan Paulus en Maaike Jan Dielis. Op 2 februari 1704 trouwde hij in Oisterwijk als Marte Bartel Janse, jongman, woonende tot Tilborg op Loven, met Mari Jan van Beul, jongedogter, woonende tot Heukelom. Op 4 december van hetzelfde jaar werd zijn eerste kind, Bartholomeus, in Oisterwijk gedoopt. Hierbij werd Marten voor het eerst aangeduid met de achternaam De Bruijn. Kort tevoren was ook zijn broer Joost voor het eerst De Bruijn genoemd. Sindsdien hadden zij en hun nakomelingen allemaal De Bruijn (of De Bruin) als familienaam. Het gezin woonde mogelijk eerst in Berkel op de grens met Udenhout, later in Udenhout zelf. Deze dorpen vielen toen zowel rechterlijk als parochieel onder Oisterwijk. Udenhout werd in 1723 een zelfstandige parochie, maar er werd al eerder begraven. Op 23 mei 1706 werd in Oisterwijk de tweeling Joannes en Maria gedoopt en op 24 april 1708 opnieuw een Bartholomeus. De geboorte van de laatste werd de moeder fataal: zij overleed op 30 april in het kraambed. Van de kinderen was en bleef alleen de tweeling in leven. Voor hen werden op 19 oktober 1708 hun ooms Joost de Bruijn en Peter van Buel als voogden benoemd (RAT, Oisterwijk 101-2, f. 83). Op dezelfde datum maakte hun vader voor de Oisterwijkse notaris Abraham van Rotterdam huwelijkse voorwaarden vanwege zijn voorgenomen huwelijk met Cornelia Thomas van Beurden (RAT, Not. Oisterwijk 5292a). Hierin werd onder meer bepaald dat de door Marie van Buel nagelaten goederen voortaan eigendom zouden zijn van de twee huwenden, dat alle kinderen van Thomas gelijkelijk zouden erven, maar dat aan de twee voorkinderen wanneer zij de leeftijd van twintig zouden bereiken elk veertig gulden zou worden uitgereikt. Een aantekening in de kantlijn geeft aan dat dit op 29 september 1733 ook daadwerkelijk gebeurd is. ![]() Handmerken van Marten Bartels de Bruijn en Cornelia Thomas van Beurden onder de huwelijkse voorwaarden van 19 oktober 1708. De tekst luidt: Dit ist hand + merck van Marten Bartels de Bruyn, verclaert niet te konnen schrijven. Signum van + Cornelia Thomas van Beurden, verclaert ut supra (= als boven). Uit het huwelijk van Marten en Cornelia, dat op 21 oktober 1708 in Oisterwijk werd gesloten, werden nog twee kinderen geboren: mijn voorvader Thomas, in Oisterwijk gedoopt op 1 oktober 1710, en nog een derde Bartholomeus, daar gedoopt op 3 februari 1713. Ook deze Bartel zal echter spoedig overleden zijn. Op 18 april 1716 werd Marten nog benoemd tot voogd over het kind van wijlen Peter Adriaan Peter Vermeer en Geertrui Thomas van Beurden (RAT, R. Oisterwijk 101-2), maar op 2 mei 1716 werd hij in Udenhout begraven. Op 14 juni werd Aart Vermelis benoemd tot toeziend voogd van bovengenoemd kind van Peter Vermeer in de plaats van Marten. Het is niet waarschijnlijk dat Cornelia ooit in de kamere van het huis aan de Kreitenmolen in Udenhout gewoond heeft. Zij werd op 8 mei 1741 in Udenhout begraven. Haar tweede echtgenoot, Lambert Jan Robben, leefde toen nog. Hij hertrouwde op 8 oktober 1741 in Oisterwijk met Anneke Adriaan van Esch. Toen op 27 december 1742 in Udenhout zijn eerste kind werd gedoopt, was mijn voorvader Thomas de Bruijn, stiefzoon van Lambert, doopgetuige. Lambert op zijn beurt trad ook als doopgetuige op bij kinderen van zijn stiefkinderen. Er zal dus een goede verstandhouding zijn geweest en gebleven. |
||
|
Generatie XIII |
Thomas Martens de Bruijn ged. Oisterwijk 1.10.1710, begr. Oisterwijk 16.7.1779; tr. (1) Oisterwijk 24.11.1737 Maria Willem van Roessel, dr. van Willem van Roessel en Catharina van den Brekel, ged. Oisterwijk 22.9.1710, begr. Udenhout 05.10.1741; tr. (2) Oisterwijk 5.8.1742 (pr.) Huberdina Jan Schoenmakers, dr. van Jan Schoenmakers en Catharina Brabandts, ged. Oisterwijk 20.06.1713, begr. Oisterwijk 29.4.1749; tr. (3) Haaren 17.1.1751 Jenneke Dielis Heijms, dr. van Dielis Dirksz. en Barbara Goiartsdr. van den Braecken, ged. Liempde 29.09.1724, begr. Oisterwijk 27.5.1775; uit (1): 1 Martinus, ged. Udenhout 19.9.1738, begr. Udenhout 11.8.1741; 2 Maria, ged. Udenhout 6.7.1741, begr. Oisterwijk 14.2.1780, tr. Oisterwijk 9.5.1762 (pr.) Peter Willem Jacobs, wednr. Geertrui Jan Swarts, geb. Boxtel, begr. Oisterwijk 27.6.1803; uit (2): 3 Cornelius, ged. Udenhout 9.6.1743, tr. Hilvarenbeek (pr.) 19.1.1777 Wilhelmina Peter Jonkers, geb. Riel; hieruit:
4
Joannes, ged. Udenhout 13.10.1744, tr.
Helvoirt 22.2.1778 Maria Hendrik Pullens;a Hubertina, ged. Riel 20.6.1779, overl. Alphen en Riel 4.4.1849, tr. Cornelis Aarts; b Petrus, ged. Riel 1.4.1781, overl. Alphen en Riel 26.3.1842, ongeh. c Johanna Maria, ged. Riel 10.2.1784, overl. Alphen en Riel 12.9.1834; d Cornelia, ged. Riel 29.10.1785; e Adriana, ged. Riel 11.9.1789; kinderen:
5
Martinus, geb. Berkel, ged. Udenhout
12.9.1746, overl. Oisterwijk 13.3.1817, tr. Oisterwijk 28.4.1782
Adriana Willem
Smits;a Huberdina, ged. Helvoirt 18.1.1782; b Thomas, ged. Helvoirt 16.2.1783; c Jan (vanaf 1829 De Bruin genoemd), ged. Helvoirt 16.2.1784, overl. Oirschot 24.11.1832, bouwman; tr. (1) Vught 8.2.1807 Anna Maria T(h)omasse(n), dr. van Christiaan Philippus en Engelberta Jan Michielse (roepnaam Engelina), geb. Oirschot ca. 1778. ged. onder de naam Maria Oirschot 11.2.1774?, overl. Oirschot 15.4.1820; tr. (2) Oirschot 3.5.1828 Johanna Maria van Steensel, bouwvrouw, dr. van Johannes en Allegonda Oerlemans, wed. van Johannes van Beek, ged. Oirschot 5.12.1786, overl. Oirschot 14.12.1863; kinderen uit (1): 1 Peter, geb.
Oirschot 6.4.1815, overl. Oirschot 6.4.1815;
kind uit (2):2 Johannes, geb. Oirschot 15.5.1818, overl. Oirschot 15.5.1818; 3 Allegonda, geb.
Oirschot 15.9.1829, overl. Oirschot 22.6.1864, tr. Oirschot 6.2.1858
Peter Johannes Quinten, geb. Westerhoven 16.5.1833.
6 Catharina, ged. Oisterwijk 25.10.1748, begr. Oisterwijk 30.10.1748?; uit (3): 7 Maria, ged. Oisterwijk 23.7.1752, begr. Oisterwijk 9.7.1804; 8 Egidius, geb. Berkel, ged. Udenhout 11.1.1754, begr. Oisterwijk 19.8.1755?; 9 Hubertus, geb. Berkel, ged. Udenhout 9.11.1755, overl. Berkel? voor 4.12.1779, tr. Oisterwijk 2.11.1777 (pr.) Maria (Antonie) Scheffers, ged. Oisterwijk 30.7.1750, overl. Tilburg 1.5.1819 (hertr. Tilburg 24.9.1780 (pr.) Antonie Wisselaers); hieruit:
10 Henricus,
geb. Berkel, ged. Udenhout
25.10.1757 (zie volgende generatie);a Johanna, geb. Berkel, ged. Oisterwijk 10.9.1778, overl. Tilburg 8.1.1820, spinster, tr. Tilburg 4.11.1799 (s.) Gerardus Simon van Pelt, wever; 11 Guilielmus, ged. Oisterwijk 14.9.1760, begr. Tilburg 30.9.1794, tr. Udenhout 29.4.1787 Cornelia Dirk Nouwens, begr. Tilburg 17.10.1794; hieruit:
12 Bartholomeus,
geb. Berkel, ged.
Udenhout 16.10.1762, tr. 's Gravenmoer 9.5.1813 Cornelia Besems, geb.
Oosterhout 11.11.1770, dr. van Cornelis Besems en Pieternel Smits;a Joannes, ged. Udenhout 13.1.1789; b Adilia, ged. Udenhout 19.2.1791; 13 Barbara, ged. Oisterwijk 16.10.1765, tr. Helvoirt 1813 Marcus van Weert; 14 Petrus, ged. Oisterwijk 23.12.1768, overl. Heukelom 22.11.1838, tr. (1) Oisterwijk 16.3.1806 Maria Adriaan Scheffers, ged. Oisterwijk 6.9.1767, begr. Oisterwijk 28.12.1809; tr. (2) Berkel 28.2.1813 Anna Adriaan van Doesburg, geb. Heukelom, ged. Oisterwijk 11.7.1769, overl. Heukelom 24.5.1840; hieruit:
15
Gertrudis, geb. Berkel, ged. Oisterwijk 11.8.1772,
overl. Oisterwijk 1855?, tr. Oisterwijk 25.11.1810? Peter Simon Vriends.a Joanna Maria, ged. Oisterwijk 28.8.1807, begr. Oisterwijk 30.10.1807; Het gezin woonde waarschijnlijk eerst in Udenhout en in ieder geval vanaf 1744 in Berkel. De kinderen van dit dorp werden zowel in Udenhout als in Oisterwijk gedoopt. Hoewel Berkel al in de Middeleeuwen een kapel had, vormde het geen eigen parochie. De inwoners vielen vanouds onder Oisterwijk. Nadat in 1723 de parochie Udenhout opgericht was, mochten de inwoners van Berkel en het onder Berkel gelegen gehucht Heukelom kiezen waar zij wilden kerken. Pas in 1852 kreeg Berkel een eigen parochie. Heukelom kwam toen onder deze parochie te behoren. Mijn voorvader Thomas werd geboren in Udenhout en op 1 oktober 1710 in Oisterwijk gedoopt als zoon van Marten de Bruijn en Cornelia van Beurden. Zijn oom en tante Joost de Bruijn en Elizabeth van Beurden traden op als doopheffers. Zoals bij de vorige generatie is vermeld, verwierf hij zijn ouderlijk huis in Udenhout aan de Kreitenmolen en verkocht dit op 7 augustus 1733 aan Adriaan Huiberts van Hees. Mogelijk woonde hij daar nog met zijn moeder en stiefvader toen hij op 24 november 1737 trouwde met Maria Willem van Roessel uit Oisterwijk. Als zijn woonplaats werd in ieder geval Udenhout vermeld. Uit het huwelijk werden twee kinderen geboren: Marten, gedoopt in Udenhout op 19 september 1738, en Maria, gedoopt aldaar op 6 juli 1741. eene
stede, bestaende in huys, schuer, schop en daeraengelegen hoff, acker
en
weijlanden, alle gestaen en gelegen onder dese dingbanke tot Berkel aen
den
Heycant, soo als deselve jegenswoordig in huere gebruijckt en bewoont
werden
bij Jan van Besouwen, uijtgesondert ontrent vijff lop. lant, die den
verhuerder
ten sijnen behoeve is reserverende, hem huerder bekent, en sulcx voor
eenen
tijt en termyn van ses jaren, waer van het eerste ingaen sal te weten
hoff en
wey te halff meert, de huijsinge mey avont en het ackerlant t’oigst
aende
stoppelen des jaers van 1745, sulcx het laeste expireren sal op de
voorschreven
tijden des jaers van 1751, ten ware partije die sulx gelieven sal
malkanderen
dese huere quamen op te seggen voor Alderheijligen des jaers van 1747,
in welk
geval dese huere ijndigen sal op de gemelde tyden des jaers van 1748,
en dat
jaerlijx omme ende voor eene somme van twee en twintig gulden tot
voorlijff,
vijff sacken rog en twee en een halve sack boeckweijt, alle jaer te
leveren
schoon, suijver en wel gewant, waer van den eersten betaeldag vant
voorlijff
sal wesen Kersmis des jaers van 1745 en den levertyt vant voorz. coorn
Ligtmis
des jaers van 1747, en soo vervolgens van jaer tot jaer geduerende dese
huere.
Incluijs den huerder sal jaerlijcx op de voorz. huijsinge moeten
leveren en
laten verdecken hondert steenen goet regt dackstroij, den decker uperen
en de
cost geven, dog sal daer voor den afval genieten, soo als ook den
timmerman, de
wanden en weegten onderhouden met het hout hem aen te wijsen. Den
huerder sal
oock sonder corten moeten onderhouden alle schouwen van straten, wegen
en
waterlaten de voorseijde goederen eenigsints subject. En neemt den
verhuerder
voor sijn rekeningh de reële lasten die jaerlijx vande verhuerde
goederen
moeten betaelt werden.
Op 12 september 1746 werd in Udenhout ex Berckel gedoopt een zoon Marten en op 25 oktober 1748 in Oisterwijk een dochter Catharina. De laatste zal al snel na de doop overleden zijn: op 30 oktober van hetzelfde jaar werd in Oisterwijk een kind van Thomas begraven. In april 1749 stierf ook zijn tweede vrouw, Huberdina Schoenmakers; zij werd op de 29ste van die maand in Oisterwijk ten grave gedragen. Op 6 januari 1751 verschenen voor notaris Anthonij Glaviman in Oisterwijk den
eersamen Thomas de Bruijn, laest weduwenaar van Huijberdina
Schoenmakers, wonende
onder dese dingbank tot Berkel, ter eenre ende Jenneken Dilles Heijms,
meerderjarige jongedogter, geassisteert met mij notaris, woonende
alhier, ter
andere zijde,
die voor hem huwelijkse voorwaarden maakten. Hierin
werd bepaald
dat
sy
conthoralen tot onderstant van dit hun huwelijck sullen in- en
aenbrengen alle sodanige goederen waer van sij de meesterschap zijn
hebbende, en
verders dat de
drie voorkinderen vanden bruijgom verweckt
aende voornoemde Huijberdina
Schoenmakers voor de erffhaeffelijke goederen in den inventaris bij hem
eerste
comparant opgeregt begrepen sullen genieten eene somme van twintigh
gulden of
anders deselve naer haer nemen en dan egael deelen met de kinderen de
welke sij
onder Godes zegen staende huwelijck sullen komen te conquesteren als
die haer
van weersijden souden mogen komen aen te versterven, sonder
onderscheit hooft
voor hooft in alsulken schijn of het kinderen waren van een en den
selven bedde
voortgekomen ende geprocreert. Ende ingeval sy comparanten geen
kinderen quaemen
te verwecken is bedongen dat de goederen van den bruijdegom en die van
sijne
zijde aenkomen alleen sullen sijn en blijven aen zijne drie voorgemelde
voorkinderen en het kind bij hem in eersten huwelijck verweckt aen
Maria van
Roesel met de helft der goederen die de bruijd staend hun huwelijck van
hare
zijde mogten komen aen te sterven, waer van de andere helft zal komen
aende
naesten vrienden van de bruijd.
Hieruit blijkt dat Thomas enig onroerend goed bezat. Kort hierna, op 17 januari 1751 trad hij in Haaren voor de derde keer in het huwelijk, met Jenneke Dielis Heijms. Uit dit huwelijk werden nog negen kinderen geboren, onder wie mijn voorvader Hendrik de Bruijn. Zij werden zowel in Oisterwijk als in Udenhout gedoopt. Het echtpaar bleef in Berkel wonen. Toen de jongste, Gertrudis, op 11 augustus 1772 gedoopt werd, was Thomas bijna 62 jaar oud. Al in 1762 trouwde het eerste van zijn kinderen, de oudste Maria – er waren er twee, de ene gedoopt op 6 juli 1741 en de andere op 23 juli 1752. Op 9 mei van dat jaar trad de eerstgenoemde in Oisterwijk in het huwelijk met Peter Willem Jacobs, weduwnaar van Geertrui Jan Swarts. In 1768 erfde Thomas van zijn tante en doophefster Elizabeth van Beurden (RAT, Not. Oisterwijk 97, f. 46) en op 5 februari 1773 verkocht hij aan Adriaan Hendrik Bertens akkerland, genaamd den Moolen acker in Udenhout bij de Kreitenmolen (RAT, R. Oisterwijk f. 10v.-11). Thomas overleefde ook zijn derde vrouw, Jenneke Heijms, die op 27 mei 1775 in Oisterwijk werd begraven. Op 14 november van hetzelfde jaar werd de erfenis van zijn tante Elizabeth van Beurden verder verdeeld en werd hem nog een stuk akkerland in Udenhout bij de Kreitenmolen, genaamd de Koeijweij, toebedeeld, waarvoor hij overigens aan een enkele mede-erfgenamen nog 20 gulden moest betalen (RAT, R. Oisterwijk 494, f. 3v.-5). De erfgenamen verkochten hem ook nog voor 168 gulden een broekveld in Udenhout bij de Brandse steeg. Hiertegenover zal hij nog meegedeeld hebben in de opbrengst van de andere verkochte goederen. Begin 1777 trouwde Thomas’ zoon Cornelis in Hilvarenbeek met de Rielse Wilhelmina Peters en aan het eind van hetzelfde jaar zijn zoon Hubert in Oisterwijk met de uit Oisterwijk afkomstige Maria Antonie Scheffers. Hubert is vóór Thomas overleden en liet een dochter Johanna na. Haar moeder hertrouwde in 1780 met Antonie Wisselaers uit Tilburg. In 1778 trouwde zoon Jan in Helvoirt met Maria Hendrik Pullens. Op 16 februari 1779 verklaarde Thomas schuldig te zijn aan Jan Jans van Roessel, de som van 50 gulden. Misschien was hij toen al ziek, want op 9 juli van dat jaar benoemde hij tot voogden over zijn nog onmondige kinderen Adriaan Jans van den Beijgaart uit Berkel en zijn nog ongehuwde zoon Marten de Bruijn (RAT, Not Oisterwijk 89, f. 50). Op 16 juli 1779 werd Thomas in Oisterwijk begraven. Op 4 december van hetzelfde jaar verkochten zijn erfgenamen, dit wil zeggen elf nog levende kinderen en Johanna dochter van zijn inmiddels overleden zoon Huibert: – aan Adriaan Hendrik Bertens het hiervóór genoemde akkerland de Koeijweij (3½ lopen) voor 384 gulden; – aan Andries Cornelis van den Bosch twee naast elkaar gelegen broekvelden bij de Brandse steeg, het ene (1½ lopen) voor 92 en het andere (1½ lopen) voor 66 gulden. Dat lijkt het hele bezit aan onroerend goed te zijn geweest. Opmerkelijk is het grote aantal kinderen dat volwassen is geworden. Dit wijst op goede voeding en in zijn algemeenheid een gezond leefklimaat, en dit terwijl de inkomsten van Thomas als pachtboer met een beetje eigen grond niet royaal zullen zijn geweest. |
||
|
Generatie XIV ![]() Bidprentje van Paula de Bruijn, hierop abusievelijk Paulina de Bruin genoemd. Veel bidprentjes bevatten dergelijke fouten. Ook de Burgerlijke Stand was overigens in de negentiende eeuw nog verre van vlekkeloos wat de weergave van de namen betreft. ![]() Bidprentje van Joannes de Bruijn, hierop abusievelijk Johannes de Bruin genoemd. |
Hendrik de Bruijn geb. Berkel, ged. Udenhout 25.10.1757, overl. Heukelom 18.5.1846, landbouwer, stierhouder in de gemeente Berkel c.a., tr. Oisterwijk 20.4.1789 (r.-k.) Maria Burgers, dr. van Joost Burgers en Paulijn Emmen, ged. Oisterwijk 12.3.1764, overl. Heukelom 3.2.1834; uit dit huwelijk: 1 Thomas, ged. Oisterwijk 3.4.1790, overl. Stettin (Pruisen) 18.7.1813 als militair in het Napoleontische leger, ongehuwd; 2 Justus, ged. Oisterwijk 14.3.1792 (zie volgende generatie); 3 Arnoldus, ged. Oisterwijk 15.10.1794, begr. Oisterwijk 24.1.1795; 4 Joanna, ged. Oisterwijk 21.7.1796, overl. Oisterwijk 25.8.1871; tr. Berkel 30.4.1840 Jan Mathijssen, ged. Oisterwijk 29.1.1802, overl. Oisterwijk 27.8.1875; 5 Paula, ged. Oisterwijk 26.3.1798, overl. Tilburg 28.7.1869, tr. Tilburg 14.2.1828 Wilhelmus Huveners (Hoevenaars), zn. van Ignatius en Petronella Rijnen, ged. Tilburg 23.9.1782, overl. Tilburg 2.3.1875; 6 Wilhelmina, ged. Oisterwijk 6.5.1800, overl. Berkel 22.12.1876, ongehuwd; 7 Arnoldus, ged. Oisterwijk 21.9.1802, overl. Heukelom 4.2.1814; 8 Joannes, ged. Oisterwijk 21.3.1805, overl. Heukelom 24.4.1873, landbouwer, stierhouder in de gemeente Berkel c.a., tr. Oisterwijk 30.4.1840 Adriana Brekelmans, ged. Oisterwijk 2.5.1808, overl. Heukelom 26.6.1862; uit dit huwelijk:
9
Jacobus, ged. Oisterwijk 30.8.1807,
overl. Oisterwijk 30.6.1881, ongehuwd.a Maria, geb. Heukelom 3.2.1841; b Peter, geb. Heukelom 21.9.1843, landbouwer, tr. Oisterwijk 3.2.1880 Wilhelmina Verhoeven; c Arnolda, geb. Heukelom 31.1.1846; d Henrica, geb. Heukelom 18.2.1848; Hoewel mijn voorvader Hendrik een lang leven heeft gehad, zijn de gegevens over hem betrekkelijk schaars. Toen hij in 1789 trouwde, waren zijn ouders al lang dood. Mogelijk heeft hij bij een van zijn broers of zussen ingewoond of ergens als boerenknecht, wat zeer gebruikelijk was. In ieder geval vond hij zijn vrouw niet ver van zijn geboortegrond, de Oisterwijkse Maria Joost Burgers. Uit dit huwelijk werden negen kinderen geboren, de eerste in 1790 en de laatste in 1807. Twee zonen hebben de familienaam doorgegeven: mijn voorvader Justus of Joost, geboren in 1792, en Jan, geboren in 1805. Het gezin woonde in het bij Oisterwijk maar onder Berkel gelegen gehucht Heukelom. Hendrik zal er pachtboer zijn geweest. Ook was hij stierhouder voor Berkel c.a. (= Berkel, Enschot en Heukelom). Later zou zijn zoon Jan hem hierin opvolgen, zij het waarschijnlijk alleen voor Heukelom (zie hieronder bij de volgende generatie). In 1812 moest de oudste zoon, naar zijn grootvader Thomas genoemd, in militaire dienst. Op een van de veldtochten van Napoleon is hij op 18 juni 1813 in het Pruisische Stettin overleden. Pas dertien jaar later werd hierover bericht ontvangen vanuit Parijs. Dit alles zal een schaduw hebben gelegd over het gezin, net als het overlijden van zoon Arnoldus in 1814, die nog geen twaalf jaar oud werd. Dat zal in mindere mate ook het geval zijn geweest met het gedwongen huwelijk later in hetzelfde jaar van mijn voorvader Joost met de bijna twintig jaar oudere protestantse Janna Margareta Rensen, weduwe van de schoenmaker Roelof Hendriks. De contacten bleven overigens in stand. In 1828 trouwde dochter Paula met de Tilburger Wilhelmus Huveners (Hoevenaers). Van haar is een bidprentje bewaard gebleven. Dit echtpaar was in redelijk goede doen. Maria Burgers overleed in Heukelom op 3 februari 1834; Hendrik pas twaalf jaar later, op 18 mei 1846. Hij heeft ook nog het huwelijk beleefd van zijn zoon Jan met de Oisterwijkse Adriana Brekelmans in 1841 (zie zijn bidprentje hiernaast) en het tweede huwelijk van zijn zoon Joost in 1845 met Maria Elisabeth Brabers uit Goirle (zie de volgende generatie). ![]() Thomas de Bruijn, de oudste zoon van Hendrik de Bruijn en Maria Burgers, trad op 10 maart 1812 in dienst van het Napoleontische leger en keerde niet terug van de veldtocht. Op 23 december 1826 ontving de burgemeester van Berkel c.a. uit Parijs bericht van zijn overlijden. Uit dit certificaat bleek dat Thomas op 2 juni 1813 was opgenomen in het hospitaal in Stettin (Pruisen) en daar op 18 juni 1813 was overleden. |
||
|
Generatie XV ![]() Bidprentje van Thomas de Bruijn, oudste zoon van Joost de Bruijn en Janna Margareta Rensen. [1] A. van den Oord en W. van Oosterhout, Berkel-Enschot-Heukelom, drie zielen en één bestuurlijk hart (Berkel-Enschot 1996) 71-72. Later in de negentiende eeuw was een Johannes de Bruin (sic) een van de drie Berkelse stierhouders. Waarschijnlijk was dit Hendriks zoon Johannes (Jan) de Bruijn, geboren in 1805, die in 1840 trouwde met Adriana Brekelmans en op 24 april 1873 in Heukelom overleed. Adriana is daar op 26 juni 1862 gestorven (zie generatie XIV). [2] RAT, Bevolkingsregister Oisterwijk 1816, Kerkeind. [3] W. de Bakker en G. Berkelmans, Anderhalve eeuw in Oisterwijk (’s-Hertogenbosch 1974) 378-379. Ook te raadplegen op internet. [4] Ald. 232-233. [5] Gedoopt
te Oisterwijk op 24 juli 1739 als zoon van Antonius en Guilielma
Poiters. Hij
gaf zelf 26 juli op en zat er dus maar een paar dagen naast.
[6] W.H.Th.
Knippenberg, ‘Brabants gildezilver XIV’, De Gildetrom 18 (1971)
42-43,
ald. 43.[9] RAT, Bevolkingsregister Oisterwijk 1834-1840, Kerkeind, blz. 21, nr. 89. Het is niet duidelijk of dit het huisnummer was. 10] Zie voor meer gegevens over de familie Roodklif de website van M.A.P.M. van Iersel en voor de familie Hendriks: De Bakker en Berkelmans, a.w., 179-180. [11] RAT, Bevolkingsregister Oisterwijk 1850-1860, Kerkeind, blad 89. [12] Knippenberg, a.w. [13] RAT, Bevolkingsregister Oisterwijk 1850-1860, Kerkeind, blad 89. [15] BHIC, Memorie van successie, kantoor Tilburg, inv.nr. 66, nr. 203. [16] RAT, Bevolkingsregister Oisterwijk 1850-1860, Kerkeind, blad 57. |
Justus (Joost) de Bruijn ged. Oisterwijk 14.3.1792, overl. Oisterwijk 30.12.1852, landbouwer, voerman, tr. (1) Berkel 3.4.1814 Janna Margareta Rensen, wed. van Roelof Hendriks, dr. van Jacobus Rensen en Berendina Stoltenberg, ged. Steenderen 30.11.1773, overl. Oisterwijk 6.6.1843; tr. (2) Oisterwijk 3.4.1845 Maria Elisabeth Brabers, dr. van Johannes Brabers en Adriana de Bont, geb. Goirle 31.12.1813, overl. Oisterwijk 3.9.1846; uit (1): 1 Thomas, geb. Oisterwijk 14.8.1814, overl. Oisterwijk 9.4.1894, schoenmaker, winkelier, tr. Oisterwijk 24.11.1841 Arnolda de Bresser, dr. van Willem de Bresser en Hendrika Meijers, geb. Oisterwijk 4.6.1814, overl. Oisterwijk 1.11.1896; uit dit huwelijk:
2 Arnoldus,
geb. Oisterwijk 7.3.1819, overl. Vught 6.12.1864, ongehuwd;a Wilhelmina Maria, geb. Oisterwijk 2.7.1842, overl. Oisterwijk 23.1.1917, ongehuwd, kloosterlinge; b Adriana Hendrika, geb. Oisterwijk 1.4.1844, overl. na 1870; c Johannes Alphonsius, geb. Oisterwijk 23.2.1846, overl. na 4.5.1866, broodbakker; d Maria Cornelia, geb. Oisterwijk 16.7.1848, overl. Diessen 10.11.1934, ongehuwd, liefdezuster; e Christina Godefrida, geb. Oisterwijk 13.1.1851, overl. Oisterwijk 7.3.1851; f Christiaan Aloijsius, geb. Oisterwijk 30.8.1852, overl. Oisterwijk 18.2.1919, ongehuwd; g Catharina Maria, geb. Oisterwijk 7.11.1855, overl. Oisterwijk 4.12.1855; h Catharina Hendrika, geb. Oisterwijk 22.10.1857, overl. Diessen 20.11.1931, ongehuwd, liefdezuster; uit (2): 3 Johannes, geb. Oisterwijk 20.2.1846 (zie volgende generatie). Mijn betovergrootvader Joost de Bruijn heeft een leven geleid dat aanmerkelijk opwindender zal zijn geweest dan dat van de meeste van zijn voorouders. Hij werd op 14 maart 1792 onder de voornaam Justus gedoopt in de Oisterwijkse parochiekerk als zoon van Hendrik de Bruijn en Maria Burgers. Doopheffers waren zijn oom Peter de Bruijn en zijn tante Johanna Burgers. Zijn ouders woonden in Heukelom, dat weliswaar onder Berkel gelegen was, maar tegen Oisterwijk aanligt. De kinderen uit hun huwelijk werden dan ook in Oisterwijk gedoopt. Zijn ouders Hendrik de Bruijn en Maria Burgers hadden net als hun voorouders een boerenbedrijf. Hendrik wordt vermeld als de enige stierhouder in Berkel-Enschot in de eerste helft van de negentiende eeuw.[1] Joost was het tweede kind. Hij had een oudere broer Thomas, geboren in 1790. Hierna zou het gezin nog uitgebreid worden met Arnoldus (1794, overleed al na enkele maanden), Joanna (1796), Paula (1798), Wilhelma (1800), Arnoldus (1802), Johannes (1805) en Jacobus (1807). Een gevoelig verlies zal het overlijden van de tweede Arnoldus zijn geweest, op 4 februari 1814, ruim elf jaar oud. Joost zou enkele jaren later zijn tweede kind naar deze Arnoldus vernoemen. Een ander verdriet trof het gezin toen de oudste zoon Thomas niet terugkeerde van zijn militaire dienst. In dienst getreden op 19 maart 1812 zal hij deelgenomen hebben aan een van de Napoleontische veldtochten, wellicht zelfs de catastrofale naar Rusland. Toen nog maar nauwelijks tot het gezin kan zijn doorgedrongen dat hij niet meer thuis zou komen, kwam de jeugdige Joost in de problemen. Hij begon een relatie met een bijna twintig jaar oudere weduwe – of zij met hem – en maakte haar zwanger. Zwangerschap vóór het huwelijk was voor zover ik heb kunnen nagaan in de familie De Bruijn nog niet eerder voorgekomen. Hier kwam nog bij dat de vrouw protestants was, wat in het roomse Brabant ongetwijfeld als een groot bezwaar zal zijn gevoeld. Zij heette Johanna (Janna) Margareta Reintsen – later meest Rense(n) genoemd – en was afkomstig uit het Gelderse Steenderen. Daar was zij op 30
november 1773 gedoopt als dochter van Jacobus Reintsen en Berendina
Stoltenberg. Zij zal in Bronkhorst getrouwd zijn met de schoenmaker
Roelof
Hendriks (gedoopt in Hoog Keppel op 30 november 1764 en overleden in
Heukelom
op 23 mei 1812). Hun eerste kind werd op 29 maart 1799 in de hervormde
kerk van
Oisterwijk gedoopt. Eind 1799 leverde het echtpaar in Oisterwijk
zogeheten
borgbrieven in, Roelof een van 14 december 1799 van Oldenkeppel en
Keppel, Janna
Margareta een van twee dagen later van Bronkhorst. In zo’n brief nam de
gemeente van herkomst verantwoordelijkheid op zich voor het onderhoud
van de
betreffende persoon wanneer die tot armoede kwam te vervallen.
Mogelijk verhuisde het echtpaar Reintsen-Stoltenberg in 1800 van Oisterwijk naar het nabijgelegen Heukelom. Er werden vijf kinderen uit dit huwelijk geboren, die in Oisterwijk hervormd werden gedoopt: Roelof nog in 1799, op 29 maart, Bernhardina op 18 maart 1801, Jan op 7 juli 1805), Jacoba op 30 augustus 1809 en Agnetta, geboren in de gemeente Berkel c.a. op 26 juni 1811. Op 3 april 1814 zijn Joost de Bruijn en Janna Margareta Reintsen in het stadhuis van de gemeente Berkel c.a. in het dorp Enschot getrouwd. Hoewel Joosts vader Hendrik de Bruijn aanwezig was om zijn toestemming voor het huwelijk te geven, ontbreken onder de getuigen de gebruikelijke familieleden. De bruid en de bruidegom waren bij het sluiten van het huwelijk beiden woonachtig in Heukelom. Waarschijnlijk zijn zij hierna in Oisterwijk gaan wonen. Op 14 augustus van hetzelfde jaar werd in Oisterwijk hun eerste kind geboren. Het werd Thomas genoemd, naar Joosts oudste broer. Hun tweede en laatste kind, Arnoldus, werd geboren in Oisterwijk op 7 maart 1819. Janna Margareta was toen al ruim 45 jaar oud. ![]() De handtekeningen onder de huwelijksakte van Joost de Bruijn en Janna Margareta Reintsen (Rensen). In 1816 woonde het gezin in Oisterwijk aan het Kerkeind op huisnummer 100 (later omgenummerd tot 99).[2] Dit was het zogeheten Mannenhuis in de Hoogstraat.[3] Opmerkelijk is dat het iedereen, met inbegrip van Janna Margareta, nu te boek staan als rooms. Zij zal dus de hervormde godsdienst hebben opgegeven. Op de namen en de geboortedata van de kinderen werd kennelijk niet erg gelet; er klopt weinig van. Bernardina werd Berdina, Agnetta werd Antonetta genoemd. Zo ging ze ook door het leven en wordt ze hier aangeduid. Van de twee jongste kinderen werd gezegd dat zij in Heukelom waren geboren, voor de overige werd Oisterwijk als geboorteplaats aangegeven. De opgegeven data zijn bijna allemaal onjuist. Verder woonde er een bejaarde kostganger in, Adriaanke van Huis (moet eigenlijk Nuys zijn, dit wil zeggen het Duitse Neuß),[4] 77 jaar oud, een spinner. Hij staat vermeld als weduwnaar en zal blijkens een aantekening niet lang daarna zijn overleden.[5] Dat Joost deelnam aan het Oisterwijkse gemeenschapsleven, blijkt uit het feit dat hij zich in 1822 koning schoot van het plaatselijk Sint-Barbaragilde. Dit betekent ook dat hij welgesteld genoeg was om de kosten die aan die titel verbonden waren te betalen. Hij schonk een zilveren genopt schildje aan het gilde, waarop hij staat afgebeeld als boer met ploeg en paard. Ook het wapen van Oisterwijk en een kruisboog met pijlen staan erop.[6] In 1824 woonde het gezin nog op hetzelfde adres.[7]Roelof en Jacoba Hendriks waren al het huis uit. Antonetta vertrok blijkens een aantekening in het bevolkingsregister kennelijk in mei 1828 om bij Verhoeven op Kerkhoven te gaan wonen. Op 22 juni 1825 trokken twee bejaarde personen, een Jan en een Maria Gertrude van Wijk in, beiden geboren in Enkhuizen. In maart 1826 zijn ze vertrokken naar Sint-Michielsgestel. Hierna zal de in Oisterwijk geboren weduwnaar Cornelis van Meegen zijn komen inwonen. Hun woning was dus groot genoeg voor extra inwonenden. Overigens is de familie op een onbekend tijdstip naar een nieuw aangekochte woning verhuisd, ook in het Kerkeind van Oisterwijk (nummer 53a; kadastraal sectie F, nummer 52a). Op 23 december 1826 kwam bij de burgemeester van Berkel-Enschot een certificaat uit Parijs binnen waaruit bleek dat Thomas de Bruijn, militair, in dienst getreden op 19 maart 1812, op 2 juni 1813 opgenomen was in het hospitaal in Stettin (Pruisen, thans Polen) en daar op 18 juni was overleden. Het hierdoor opgerakelde verdriet zal verzacht zijn door de zekerheid die het bericht in ieder geval bood.[8] In 1834 bestond het gezin De Bruijn-Reintsen nog uit Joost en zijn vrouw, Arnoldus de Bruijn, Bernardina, Jan en Antonetta Hendriks.[9] Roelof Hendriks en Thomas de Bruijn waren inmiddels dus het huis uit. Roelof Hendriks was op 3 mei 1830 in Tilburg getrouwd met Catharina van Hamborg, maar bleef in Oisterwijk wonen. In
1835
raakte Joosts stiefdochter Antonetta Hendriks zwanger. Zij woonde toen
waarschijnlijk al niet meer bij hem, maar bij haar broer Roelof. Daar
werd in
ieder geval op 17 december van genoemd jaar om tien uur ’s morgens haar
kind
geboren. Het werd Cornelus – met een u – genoemd en kreeg de achternaam
Hendriks. De spruit werd de achttiende december aangegeven door de
timmerman
Geert Jochems Roodklif, oud achtentwintig jaar, en de Oisterwijkse
deurwaarder
Jan Willems, oud achtenvijftig. De eerste aangever tekende met Geert
J.
Roodkleef. Deze Fries was in verband met de Belgische Opstand in
1830 met de
Friesche Mobiele Schutterij naar Noord-Brabant gekomen.[10]
Dat hij er meer van wist, moet al snel zijn gebleken, want ruim een
maand
later, op 28 januari 1836, trouwde hij in Oisterwijk met zijn
Antonetta,
waarbij het kind Cornelus door hem werd erkend en geëcht. Onder de
getuigen bij
dit huwelijk was Antonetta’s halfbroer Thomas de Bruijn, waaruit blijkt
dat de
relaties met haar familie niet verbroken waren.
Uit het echtpaar Roodklif-Hendriks werden na Cornelis nog twee kinderen in Oisterwijk geboren, in 1838 Adriana en in 1841 Jacoba (Koosje). Antonetta overleed in Oisterwijk op 28 mei 1849. Voelde de Fries Gerrit Jochems Roodklif zich toen niet meer thuis in het Brabantse, of misschien zelfs al eerder? In ieder geval ontving de ambtenaar van de Burgerlijke Stand van Oisterwijk een extract van Roodklifs overlijden in het Friese Oudega op 29 april 1856 om acht uur ’s morgens, rondzwervende doch gedomicilieerd te Oisterwyk, provincie Noord Brabant, zonder dat aan de aangevers iets meer betrekkelyk de overledene bekend is. Gerrit Jochems’ zoon Cornelus woonde in die tijd in bij mijn betovergrootouders.[11] Hij had toen nog geen beroep en was op 3 july 1854 tydelyk afwezig te ’s Gravenhage. Cornelus Roodklif had toen de leeftijd van negentien jaar; mogelijk betrof het de vervulling van zijn militaire dienstplicht. In 1839 schoot mijn betovergrootvader Joost de Bruijn bij het koningschieten van het Oisterwijks Sint-Barbaragilde opnieuw de papegaai af. Op het schild dat hij aan het gilde schonk stond deze keer een voerman met paard en huifkar afgebeeld. Ook dit schild was genopt en bevatte weer het wapen van Oisterwijk en een kruisboog met pijlen.[12] Johanna Margareta Rensen overleed in Oisterwijk op 6 juni 1843 om één uur ’s middags. Joost hertrouwde op 3 april 1845 met mijn betovergrootmoeder Maria Elisabeth Brabers. Zij was geboren in Goirle op 31 december 1813 als dochter van Johannes Brabers en Adriana de Bont, die bij haar huwelijk woonachtig waren in Heukelom. Als beroep van de bruid wordt in de huwelijksakte dienstmeid vermeld. Terwijl de eerste echtgenote van Joost bijna twintig jaar ouder was dan hij, was zij meer dan twintig jaar jonger. Op 20 februari 1846 om één uur ’s nachts werd in Oisterwijk, waarschijnlijk aan het Kerkeind, hun kind Johannes – mijn overgrootvader Jan de Bruijn – geboren. Bij de aangifte gaf Joost als beroep voerman op. Toen de kleine Jan nog gezoogd werd, overleed mijn betovergrootmoeder op 3 september van hetzelfde jaar om elf uur ’s avonds. ![]() De handtekeningen onder de huwelijksakte van Joost de Bruijn en Maria Elisabeth Brabers. Joost zelf stierf ruim zes jaar later, op 30 december 1852. Behalve de genoemde Cornelus Roodklif, zijn stiefkleinzoon, woonden toen in zijn huis aan het Kerkeind in Oisterwijk nog zijn ongehuwde zoon uit het eerste huwelijk Arnoldus, die net als zijn vader het beroep van voerman uitoefende, en verder Joosts enig kind uit zijn tweede huwelijk, mijn overgrootvader Jan de Bruijn. Een Maria Brabers had als dienstmeid ingewoond, maar was op 15 mei 1851 vertrokken naar de gemeente Berkel.[13] Waarschijnlijk ging het hierbij om Maria Anna Brabers, jongere zuster van Maria Elisabeth (geboren Tilburg 10 november 1823). De onroerende goederen in de boedel van Joost de Bruijn waren: een huis, woning, schuur en tuin in het Dorp te Oisterwijk, kadastraal bekend – als tuin (sectie F nr. 52), 680 m2, – als huis (sectie F nr. 52a), 18 m2, – als huis, schuur en erf (sectie F nr. 53), 308 m2; bouwland in de Kluisheide, 5510 m2; opgaande bomen, 840 m2; weiland in de Bunders, 3240 m2; weiland in de Bunders, 3010 m2; bouwland op Kreitenheide, 6150 m2.[14] Er behoorden dus een huis en een kleiner huis toe. Het akkerland bedroeg in totaal 10.660 m2 – dus ruim een hectare – en het weiland 6.250 m2, te weinig voor de uitoefening van een volwaardig boerenbedrijf. Mogelijk heeft Joost ook grond gepacht en, zoals uit het gildeschild van 1839 blijkt, zal hij tevens gewerkt hebben als voerman. Hiernaast bezat hij nog 840 m2 beplant met opgaande bomen. Wellicht waren dit populieren voor de klompenmakerij. Dit was in de omgeving een populaire oudedagsvoorziening. Al met al was Joost dus niet geheel onbemiddeld. Zijn erfgenamen waren Thomas en Arnoldus de Bruijn uit zijn eerste huwelijk en mijn overgrootvader Johannes de Bruijn uit zijn tweede. Omdat Jan minderjarig was, werden voor hem voogden benoemd. Dit waren Jan de Bruijn als voogd en Jan Mathijssen, die getrouwd was met zijn tante Johanna de Bruijn, als toeziend voogd, beiden wonende te Oisterwijk.[15] Jan de Bruijn was een jongere broer van Joost, gedoopt in Oisterwijk op 21 maart 1805 en op 30 april 1840 aldaar getrouwd met Adriana Brekelmans. Het kind werd niet uitbesteed bij zijn halfbroer Thomas, maar bij zijn al op leeftijd zijnde kinderloze oom en tante Jan Mathijssen en Johanna de Bruijn.[16] Het geld van de erfenis zal besteed zijn aan zijn opvoeding. Zoals uit zijn latere handtekeningen blijkt, heeft hij in ieder geval ook leren lezen en schrijven. |
||
|
Generatie XVI ![]() ‘Taante Sus’ in 1958. Wanneer deze oudtante bij ons op bezoek kwam, werd haar kanten mutsje op een standaard gezet. Zij was altijd in het zwart gekleed. Voor mij was haar verschijning een ontmoeting met een voorgoed voorbij verleden. ![]() Het karakteristieke huisje van Piet Koppens en Sus de Bruijn aan de Waterstraat in Diessen (tussen nrs. 16 en 18; afgebroken in 1957). Beide foto's: Fotostichting Diessen. |
Johannes (Jan) de Bruijn geb. Oisterwijk 20.2.1846, overl. Tilburg 31.12.1925; tr. Oisterwijk 15.4.1875 Gerarda de Brouwer, dr. van Adrianus de Brouwer en Johanna de Lepper, geb. Udenhout 7.7.1852, overl. Tilburg 15.1.1933; uit dit huwelijk: 1 Josephus (Sjef), geb. Oisterwijk 11.2.1876, overl. Haaren 25.1.1968, ongehuwd; 2 Adrianus (Janus), geb. Oisterwijk 27.6.1877, overl. Oisterwijk 21.11.1902, ongehuwd; 3 Martinus, geb. Berkel 1.2.1879 (zie volgende generatie); 4 Johanna (Jans), geb. Berkel 29.8.1880, overl. Enschot 2.1.1930, tr. Johannes Bertens, geb. Udenhout 16.6.1876, overl. Enschot 28.3.1949; 5 Maria (Mie), geb. Oisterwijk 9.6.1882, overl. Tilburg 7.3.1953, tr. Tilburg 1.5.1907 Aloysius Franciscus van Asten, geb. Tilburg 3.1.1880, overl. Tilburg 6.5.1938; 6 Francis, geb. Oisterwijk 13.6.1884, overl. Oisterwijk 2.10.1884; 7 Francisca (Sus), geb. Oisterwijk 5.6.1886, overl. Hilvarenbeek 20.2.1971, tr. Petrus Koppens, geb. Liempde 27.2.1870, overl. Diessen 12.8.1957; 8 Cornelis (Kees), geb. Moergestel 6.2.1888, overl. Tilburg 26.3.1962, tr. Regina Wilhelmina Verhoeven, wed. van Johannes Petrus Aarts, geb. Tilburg 20.2.1902, overl. Tilburg 1.10.1948; 9 Adriana Martina Helena (Jana), geb. Moergestel 10.1.1891, overl. Tilburg 30.4.1939, ongehuwd; 10 Elisabeth (Bet), geb. Moergestel 4.8.1894, overl. 's-Hertogenbosch 27.7.1959, tr. Johannes Jacobus Mutsaers, geb. Cromvoirt 20.6.1889, overl. Vught 29.7.1969.
|
||
|
Generatie XVII |
Martinus (Tinus) de Bruijn geb. Berkel 1.2.1879, overl. Tilburg 20.1.1957; tr. Tilburg 15.1.1913 Dingena Koks, dr. van Jacobus Koks en Johanna Hessels, geb. Dongen 25.6.1878, overl. Tilburg 18.6.1960; uit dit huwelijk: 1 Gerarda Johanna (Dien), geb. Tilburg 15.4.1915, overl. Hilvarenbeek 3.8.2001, tr. Tilburg 17.6.1944 Johannes Antonius (Jan) de Leeuw, geb. Tilburg 27.2.1917, overl. Hilvarenbeek 23.4.2003; 2 Jacobus Johannes (Sjaak), geb. Tilburg 29.8.1916; overl. Tilburg 11.11.1992, kettingscheerder, ongehuwd; 3 Joannes Josephus (Jan), geb. Tilburg 1.10.1917 (zie volgende generatie); 4 Joanna Cornelia Maria (Jo), geb. Tilburg 16.7.1919, overl. Tilburg 30.4.1973, ongehuwd; 5 Franciscus Adrianus Antonius, geb. Tilburg 21.10.1920, overl. Tilburg 9.2.1922; 6 Franciscus Petrus (Frans), geb. Tilburg 9.12.1922, overl. Tilburg 24.8.1973, twernersbaas, tr. Tilburg 20.5.1952 Anna Maria Helena (Annie) Schellekens, dr. van Johannes Franciscus en Maria Theresia Strackx, geb. Tilburg 26.2.1928, overl. 16.12.1993; uit dit huwelijk:
a Dingena Theresia Maria (Inga), geb. Tilburg 4.4.1953. Het echtpaar Martinus de Bruijn en Dingena Koks met hun kinderen (van links naar rechts) Frans, Jo, Sjaak, Dien en Jan. De fotocompositie zal in de jaren veertig van de twintigste eeuw zijn gemaakt. Mijn grootvader Tinus de Bruijn, naar wie ik vernoemd ben, is zijn carrière begonnen als boerenknecht, onder meer op De Tongerlose Hoef in Tilburg. Vanaf zijn huwelijk op 15 januari 1913 was hij pachtboer op De Blauwe Hoef, toen gelegen in Tilburg op de grens met Hilvarenbeek. Hij hield het maar vier jaar vol: op 22 maart 1917 is hij vertrokken naar Hilvarenbeek en op 18 augustus van dat jaar ging hij wonen op het adres Capucijnenstraat 199 in Tilburg. Daar werd op 1 oktober 1917 mijn vader geboren. In het bevolkingsregister van Tilburg is het beroep landbouwer doorgehaald en vervangen door stoker. Mijn grootvader is gaan werken bij de Stoomververij en Chemische Wasserij De Regenboog aan de Bredaseweg in Tilburg. Daar zal hij het beroep van machinist wel in de praktijk hebben geleerd. Dat er wel enige vakbekwaamheid vereist was, leerde mij een artikel van de bioloog en stoomfanaat Midas Dekkers, ‘De goddelijke stoommachine’, in het tijdschrift Maarten (nr. 4, augustus 2012) 76-85. Op blz. 80 lezen we: Hij
kent zijn taak: ‘Meermalen
kleine hoeveelheden steenkool opgooien, waardoor men een dun vuur kan
onderhouden, terwijl men er tevens voor zorgen moet, dat in dit dunne
vuur geen gaten branden, dit is een eerste vereischte van goed stoken’.
Zo staat het in Wat een fabrieksstoker alzoo weten moet
van ir. J. de Kuyser, directeur der Vereeniging tot Bevordering van
Rookvrij Stoken, en zo heeft de machinist het gelezen, want dat kan
hij: ‘Aan eenige opleiding mag het een machinist niet ontbreken,’ aldus
De Gids voor machinisten van
E.F. Achol. ‘Lezen en schrijven dient hij in de eerste plaats vlot te
kunnen. Bedrevenheid in het lezen stelt hem niet alleen in staat zich
door goede boeken verder te bekwamen, maar schenkt hem tevens
gelegenheid, om zich in vrijen tijd nuttig te ontspannen.’
Of mijn grootvader veel gelezen heeft, waag ik te betwijfelen. En mijn grootmoeder kon nauwelijks lezen en schrijven; ze moest ook in haar kindertijd thuis op de boerderij werken. (Zelfs bij mijn ouders kon het boekenbezit met gemak tussen twee boekensteuntjes op het dressoir, voor zover enkele exemplaren niet in de linnenkast verstopt lagen. Deze waren overigens stukken interessanter dan de boeken op het dressoir en werden dan ook door mij ‒ en waarschijnlijk ook wel door mijn broers en zus ‒ even stiekem als gretig gelezen.) In de jaren dertig ‒ mijn grootouders woonden toen in de Industriestraat, tegenover de Bokhamer aan de andere kant van de spoorlijn ‒ kwam er een radio in huis, waar het hele gezin omheen zat te luisteren, bijvoorbeeld naar De Bonte Dinsdagavondtrein van de Avro. Behalve in de vastentijd wanneer, tot teleurstelling van de kinderen, vanzelfsprekend de preek van de roemruchte pater Henri de Greeve moest worden aangehoord. |
||
|
Generatie XVIII
|
Joannes Josephus (Jan) de Bruijn geb. Tilburg 1.10.1917, overl. Tilburg 17.9.1993; tr. Tilburg 12.2.1947 Maria Antonetta (Riet) Mutsaers, dr. van Wilhelmus Josephus Mutsaers en Wilhelmina Emans, geb. Tilburg 14.7.1915, overl. Goirle 30.3.2007; uit dit huwelijk: 1 Martinus Wilhelmus Josephus (Martin), geb. Tilburg 7.2.1948 (zie volgende generatie); 2 Jacobus Leonardus Wilhelmus Nicolaas (Jac), geb. Tilburg 6.12.1950; 3 Johannes Henricus Maria Adrianus (Jan), geb. Tilburg 10.1.1953; 4 Wilhelmina Anna Dingena Maria (Willemien), geb. Tilburg 13.10.1955; 5 Franciscus Josephus Maria (Frans), geb. Tilburg 13.7.1958. Het echtpaar ging na het huwelijk wonen in de Reit, in de Industriestraat langs de spoorlijn (tegenover de Bokhamer), waar ook de ouders van de bruidegom, mijn grootouders, al woonden. De eerste drie kinderen zijn hier geboren. In 1954 is het gezin verhuisd naar de Hasselt, waar de twee jongste kinderen het levenslicht zagen. |
||
|
Generatie XIX |
Martinus Wilhelmus Josephus (Martin) de Bruijn geb. Tilburg 7.2.1948; tr. Oirschot 25.3.1971 Hendrina Taetske Lamberta Catharina Strouken, dr. van Gerardus Hubertus Strouken en Aaltje Ottilie Ottema, geb. Tegelen 10.11.1951, huw. ontbonden 22.1.1992; partner van Charlotte Jeanine Christine (Lotty) Broer, dr. van Nicolaas Cornelis Broer en Neeltje Alida Brakkee, geb. 's-Gravenhage 29.12.1959. |
||