Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)
De wetenschappelijke onderbouwing van deze webpagina is te vinden op de diverse pagina’s op deze webstek over de vroege geschiedenis van de Utrechtse kerk en de daar genoemde bronnen en literatuur.






















[1] Voor de bronnen en de literatuur verwijzen we in de eerste plaats naar onze geheel op het internet te raadplegen uitgave De eerste kerken op het Utrechtse Domplein (Utrecht 2013) en verder de vermeldingen elders op deze webstek.



















Domplein 720
Het Utrechtse castellum met de eerste kerken: A. het Romeinse hoofdgebouw. Hierin werd door Willibrord in of kort vóór 695 de Sint-Salvatorkerk met daarin ook het daarbij behorende klooster ondergebracht; B. de noord- en zuidmuur van de door koning Dagobert omstreeks 630 gebouwde Sint-Thomaskerk. Rond 720 herbouwde Willibrord deze kerk vanaf het fundament en wijdde haar, waarschijnlijk tegen de zin van Bonifatius, aan de Frankische heilige Sint-Maarten, de beschermheilige van de Frankische koningen.

Plattegrond tempeltje
Plattegrond van het vermoedelijke tempeltje en de noordzijde van het Romeinse hoofdgebouw in het Utrechtse castellum. Op de plaats van dit tempeltje, tegenover het hoofdgebouw bouwde koning Dagobert omstreeks 630 zijn Sint-Thomaskerk. Van deze kerk zijn oost-west lopende uitbraaksleuven teruggevonden met een onderlinge afstand van ongeveer zeven meter, de gebruikelijke breedte voor een kerk in die tijd.

Tempeltje in Utrecht
Reconstructie van het vermoedelijke, heel eenvoudige tempeltje in Traiectum (Utrecht), waar overheen koning Dagobert circa 630 de eerste, aan Sint-Thomas gewijde kerk gebouwd heeft.


[2] Urkunden- und Quellenbuch zur Geschichte der Grundherrschaft Echternach bis zum Jahr 1517, uitg. H. Wampach (Luxemburg 1951).

[3] Ald. nr. 39, p. 83-97.

[4] Opgenomen in Oorkondenboek van het Sticht Utrecht, dl. I, uitg. S. Muller Fz. en A.C. Bouman (Utrecht 1920) nr. 37, p. 27-28.

[5] Ald. nr. 1, p. 1.

[6] Het oudste cartularium van het Sticht Utrecht, bew. S. Muller Fz. (Utrecht 1892). Een dergelijke uitgave heeft het voordeel dat de inhoud ervan in zijn volgorde kan worden bestudeerd. In oorkondenboeken zijn de stukken doorgaans chronologisch, en dus uit hun verband, afgedrukt. Vanzelfsprekend zijn de Echternachse en Utrechtse oorkonden ook na 1892 nog een aantal malen in oorkondenboeken uitgegeven, waaronder het Oorkondenboek van het Sticht Utrecht.

[7] C.J.C. Broer, Uniek in de stad. De oudste geschiedenis van de kloostergemeenschap op de Hohorst bij Amersfoort, sinds 1050 de Sint-Paulusabdij in Utrecht (Utrecht 2000) 223-237. In deze paragraaf wordt een aantal misverstanden over de zogeheten goederendeling in de oudere literatuur rechtgezet.

726: een belangrijk jaar in het ontstaan van de Utrechtse kerk
door Charlotte J.C. Broer en Martin W.J. de Bruijn


Te citeren als: C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn, ‘726: een belangrijk jaar in het ontstaan van de Utrechtse kerk’ (www.broerendebruijn.nl/726.html.html, versie van [datum], geraadpleegd op [datum]).

Drie jaar geleden hebben we op op deze webstek melding gemaakt van een belangrijk gebeuren in de Utrechtse geschiedenis dat dertienhonderd jaar gelegen had plaatsgehad: de schenking op 1 januari 723 van de burchten Traiectum en Vechten, met het omliggende gebied en de daar wonende mensen door hofmeier Karel Martel aan aartsbisschop Willibrord en de Utrechtse kerk. Voor zover wij weten is aan dit gebeuren verder geen enkele aandacht besteed.

Drie jaar later is er opnieuw reden om Willibrord en zijn activiteiten te memoreren. Om te beginnen heeft Karel Martel op 6 juni 726 aan hem het domein Elst in de Betuwe ten behoeve van de Utrechtse kerk geschonken. De tekst van de overgeleverde oorkonde is zodanig gesteld dat die tot veel discussie aanleiding gegeven heeft.[1] Maar het feit op zich, dus de schenking, werd hierbij niet ontkend. In ieder geval heeft de tegenwoordige gemeente Elst recentelijk haar eerste vermelding in 726 met luister gevierd.

Reconstructie tweede tempel van Elst
Reconstructie van de tweede tempel van Elst, waar overheen in of vóór het jaar 726 de eerste kerk, gewijd aan Sint-Salvator, de Verlosser, gebouwd is. Foto ontleend aan Wikipedia.


Het domein Elst werd eeuwenlang door een proost beheerd. Doorgaans was dit een kanunnik van de Utrechtse dom. Archeologisch onderzoek in de vorige eeuw heeft uitgewezen dat de eerste kerk in Elst gebouwd was over de resten heen van twee Romeinse tempels. Ook in Utrecht is de eerste kerk, omstreeks 630 gebouwd door de Frankische koning Dagobert, hoogstwaarschijnlijk gebouwd over het fundament van een Romeins tempeltje heen. Het was in die tijd zeer gebruikelijk om kerken te bouwen op de resten van heidense heiligdommen.

Maar er is in 2026 veel meer reden om het jaar 726 te herdenken. Bij nader inzien blijkt dit jaar van groot belang te zijn geweest voor het ontstaan van het bisdom Utrecht onder het aartsbisdom Keulen, kort vóór 800, waaruit later de landsheerlijkheid van het Sticht en de provincie Utrecht zijn voortgekomen. De sleutel daartoe biedt een oorkonde die gedateerd is tussen 20 oktober 726 en 12 februari 727. Zij is opgenomen in het zogeheten Liber Aureus, het Gouden Boek, van de abdij Echternach.[2] Dit is een cartularium – een bundel met afschriften van oorkonden – van de door Willibrord gestichte abdij in het tegenwoordige Luxemburg. Het Gouden Boek dateert van het eind van de twaalfde eeuw. In de genoemde oorkonde, die wel aangeduid wordt als ‘het testament van Willibrord’, staan de bezittingen opgesomd die hij aan de abdij van Echternach heeft geschonken.[3] Hoewel er wel wordt getwijfeld aan de formele echtheid van dit stuk, geldt dit niet voor een groot deel van de inhoud van de daarin vermelde bezittingen. Deze zijn namelijk ook bekend uit andere bronnen, vooral schenkingsakten.

Een van die akten dateert ook nog uit het jaar 726. Het betreft hier de schenking door Rohing en zijn vrouw Bebelina van de Sint-Petrus-en-Sint-Pauluskerk van Antwerpen aan Willibrord in ruil voor een locellum Tumme.[4] Mogelijk is met dit laatste Deurne bij Antwerpen bedoeld. Ook het derde deel van de Antwerpse tol werd door het echtpaar aan Willibrord geschonken.

Eerder al hadden Rohing en zijn vrouw aan de genoemde kerk onder Willibrord een domein in de gouw Rien, die zich uitstrekte ten oosten van Antwerpen, en ander goed cadeau gedaan.[5] De verdere identificatie van deze goederen laten we verder rusten. Daar is vanzelfsprekend heel veel over geschreven. Waar het hier om gaat is dat de ruil zeer waarschijnlijk heeft plaatsgehad in verband met een scheiding in 726 van het geheel van ooit aan Willibrord geschonken goederen.

Want zoals hierboven al is vermeld, vond in hetzelfde jaar ook nog een schenking plaats aan Willibrord, niet aan zijn abdij in Echternach, maar aan de Utrechtse kerk. Ook de schenkingen en bezitsomschrijvingen hiervan zijn grotendeels opgenomen in een Utrechts cartularium. Het oudst bewaarde afschrift hiervan dateert van het eind van de tiende eeuw. De Utrechtse archivaris mr. Samuel Muller Fz. heeft het, met een aantal jongere handschriften, in 1892 uitgegeven zoals het is overgeleverd.[6]

In het oudste cartularium staan oorkonden en enkele andere teksten vanaf 1 januari 723 – door hem nog abusievelijk gedateerd 722 – tot 24 juni 943. Deze laatste oorkonde is waarschijnlijk later toegevoegd. Laat men deze weg, dan zouden de jongste optekeningen gedateerd hebben van circa 900. Hierom werd het handschrift door Muller het ‘cartularium van (bisschop) Radbod’ genoemd. Deze laatste was bisschop van Utrecht van 899 tot 917.

Van groot belang is in dit verband een lijst van goederen van de Utrechtse Sint-Maartenskerk uit de tweede helft van de negende eeuw. Het gaat hier dus om een soortgelijke optekening als die van het Liber Aureus van de abdij Echternach.

In haar dissertatie over het ontstaan de Utrechtse Sint-Paulusabdij Uniek in de stad heeft Charlotte Broer een uitvoerige verhandeling opgenomen over de goederendeling van de Utrechtse kerk. Hiermee is de splitsing bedoeld van het kerkelijk vermogen vanaf het begin van de tiende eeuw, toen de Utrechtse bisschop en zijn geestelijken uit hun ballingschap sinds 857 naar Utrecht zijn teruggekeerd.[7] Dat er al eerder een vermogenssplitsing heeft plaatsgehad is door haar destijds niet meegenomen. Toch menen wij inmiddels dat deze in 726 voor het eerst heeft plaatsgehad, toen het goederenbezit van de aartsbisschop van de Friezen – nog niet bisschop van Utrecht – werd gedeeld tussen zijn kerk in Utrecht en de door hem gestichte abdij in Echternach. Het jaar 726 pas uitstekend in de chronologie van gebeurtenissen rond Willibrord als context van de ontwikkeling van dit uitgebreide bezit.

De Angelsakische missionaris Willibrord is rond 690 naar het vasteland gekomen. Enkele jaren later heeft hij van de Frankische hofmeier Pippijn de Middelste de nog uit de Romeinse tijd daterende burcht Traiectum, gelegen bij de splitsing van de rivieren de Rijn en de Vecht, als missiebasis aangewezen gekregen. In Rome werd hij in 695 tot aartsbisschop van de Friezen gewijd.

In eerste instantie vond het kersteningswerk plaats ten zuiden van de Rijn. Het gebied ten noorden daarvan was nog in handen van de heidense Friezen, die afkerig waren van het christendom. In 698 stichtte hij in Echternach, in het tegenwoordige Luxemburg, een abdij. In de jaren daarna ontving hij ten zuiden van de Rijn, in de Frankische gouwen Teisterbant en Texandrië, tal van schenkingen van Frankische grootgrondbezitters. Aan zijn arbeid daar was missionering in de zevende eeuw door Frankische missionarissen als Lambertus voorafgegaan.

In 714 stierf hofmeier Pippijn de Middelste en stortte het Frankische gezag aan de noordkant van het Rijk ineen. De nog heidense Friese koning Radbod nam de burchten aan de Rijn weer in bezit. Willibrord week uit naar het zuiden, waar hij en zijn geestelijken een toevlucht vonden in de kloosters Susteren en Echternach.
Willibrords wereld
Het werkterrein van Willibrord. Vóór 718 was hij voornamelijk werkzaam in Francia, en zuiden van de Rijn, nadat de burcht Traiectum (Utrecht) definitief in Frankische handen was gekomen in Frisia. Tekening M.W.J. de Bruijn.
Maar het herstelde Friese gezag was van korte duur. De Franken herwonnen onder de nieuwe hofmeier Karel, genaamd Martel ofwel de Hamer, in 718 de macht en een jaar daarna stierf ook nog eens koning Radbod. Hiermee was in een flink gebied ten noorden van de Rijn het gezag georganiseerd en definitief in handen van de Franken gekomen. Willibrord en zijn medewerkers konden ook ten noorden van de Rijn gaan missioneren.

Van de Frankische koning Chlotarius IV, die ‘regeerde’ in 718/19, – in werkelijkheid regeerden de hofmeier –, ontving Willibrord het uiterst belangrijke privilege van immuniteit. De Utrechtse kerk werd hiermee autonoom; zij werd volledig onttrokken aan het gezag van de Frankische bestuurders. Ook ontving Willibrord ter ondersteuning van zijn werk in deze tijd het tiende deel van de koninklijke bezittingen in een niet nader omschreven gebied.

In het licht van dit alles moet men dan de herbouw vanaf het fundament van de omstreeks 630 door de Frankische koning Dagobert gebouwde en later verwoeste Sint-Thomaskerk zien. Hoewel deze laatste heilige ook in later tijd in Utrecht vereerd bleef worden, wijdde de missionaris de nieuwe kerk aan aan een andere heilige: Martinus ofwel Sint-Maarten. Dit was de patroonheilige van zijn Frankische beschermers.

Elders op deze webstek hebben we uiteengezet dat, waarom en hoe de eerste kerk en het klooster van Willibrord, ingericht vlak na zijn komst in Utrecht omstreeks 695, niet gewijd was aan Sint-Maarten, maar aan Sint-Salvator, de Verlosser. Opmerkelijk is in dit verband ook dat de in 726 vermelde kerk van Elst eveneens gewijd was aan Sint-Salvator en dus niet aan Sint-Maarten. Later werd zij tevens gewijd aan een van de Angelsaksische gezellen van Willibrord, Werenfried, die vanuit Elst was gaan missioneren.
WillibrordWillibrord tussen twee diakens.

Tekst Willibrord in kalender
Tekst van Willibrord zelf, die daarna overgeschreven is in deze kalender bij de maand november, waarin de missionaris herdacht werd. Parijs, Bibliothèque National, Ms. Lat. 10837, f. 39v.
Na de terugkeer van Willibrord in 718 werkte zijn jongere, eveneens Angelsaksische collega Bonifatius vanuit Utrecht enkele jaren in Woerden, Breukelen en Velsen. Ook hier werden de kerken niet aan Sint-Maarten gewijd, maar, net als Sint-Salvator in Utrecht, aan de naar Rome verwijzende heiligen Petrus (Woerden en Breukelen) en Paulus (Velsen).

Als suggestie voor de reden waarom Bonifatus al na enkele jaren uit Utrecht weggegaan is, hebben we een meningsverschil genoemd over de koers van de missionering. Bonifatius zou het niet eens zijn geweest met de sterk op het Frankische gezag steunende Willibord en de wijding van de herbouwde Sint-Thomaskerk aan Sint-Maarten. Willibrord heeft dit hoogstwaarschijnlijk gedaan als eerbetoon aan zijn Frankische beschermers, van wie de heilige Martinus ook de patroon was. Als reden voor het veronderstelde meningsverschil met Bonifatius hebben we genoemd dat deze weinig ophad met de Frankische geestelijkheid, die, afkomstig uit de Frankische adel, hij te werelds en te koningsgezind vond.

We zouden daar hier nog een reden aan willen toevoegen. Mogelijk voorzag hij als groot organisator en hervormer toen al problemen met het Frankische Keulen, waaraan koning Dagobert rond 630 de Sint-Thomaskerk en de burcht Traiectum had opgedragen. En daarin heeft hij gelijk gekregen: omstreeks 752/53 heeft de bisschop van Keulen inderdaad een beroep op die schenking gedaan om de succesvolle kerkelijke Utrechtse stichting voor zijn kerk op te eisen. We hebben er de voor Utrecht belangrijkste vroegmiddeleeuwse bron aan te danken: Bonifatius’ brief aan de paus, waarin hij zich beklaagde over het optreden van de Keulse bisschop. Keulen zou de Utrechtse Sint-Thomaskerk en de burcht Traiectum ontvangen hebben om de Friezen te bekeren, maar had dit nagelaten. Tevens wees Bonifatius in zijn brief op de jarenlange bekeringsarbeid van Willibrord en zijn helpers.

Verder heeft Bonifatius zich toen ook met succes gewend tot de sinds kort aangetreden en daadwerkelijk regerende Frankische koning Pippijn de Korte om de schenkingen van diens voorgangers aan de Utrechtse kerk te garanderen. Zowel het immuniteits- als het tiendprivilege zijn toen door koning Pippijn bevestigd.

Willibrord was inmiddels al op hoge leeftijd. In 728 maakte hij in een manuscript waarschijnlijk eigenhandig de aantekening dat hij in 690 naar het vasteland was gekomen, in 695 door de paus tot bisschop was gewijd en in genoemd jaar 728 in Gods naam gelukkig was, in Dei nomine feliciter. Het lijkt er alleszins op dat de hernieuwde vestiging van de Utrechtse kerk in de burcht Traiectum in 718, de mogelijkheid om het bekeringswerk naar het nog heidense noorden uit te breiden en de geslaagde splitsing van het kerkelijk vermogen tussen de Utrechtse kerk en zijn abdij Echternach in 726 aan dit geluk hebben bijgedragen.

We hopen met het ophalen van deze gegevens het belang van het jaar 726 voor Elst maar ook voor de Utrechtse kerk en de abdij Echternach nog eens voldoende te hebben vastgesteld en benadrukt.



© 2026 C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn. - Gepubliceerd 14 juli 2026; laatst bewerkt 14 juli 2026.