Droochsloot
Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen | Uitgaven | Op en rond het Domplein | Vrijwaring | Contact

op het web alleen op deze webstek
(om alleen op deze pagina te zoeken druk op Ctrl-F)
Behalve naar de in de noten hieronder vermelde literatuur verwijs ik naar de pagina’s op deze internetpresentatie die genoemd worden in ► Op en rond het Domplein.
Zie ook ► Het bisschopshof en

De domtoren in Utrecht
.































Detail van het schip 'de Domtoren van Utrecht'
Detail van de afbeelding met aan de rechterzijde drie nauwkeurig afgebeelde gebouwen, waarvan rechts een kapel. Rechts daarvan, schematisch, meer naar achter gelegen bebouwing.


[1] RKD Nederlands Instituut voor Kunsthistorische Documentatie. Zij bevindt zich in de collectie P. en N. de Boer (cat.nr. 360).

[2] Zie op deze webstek de pagina Het bisschopshof.
De spiegel van het schip
‘De Domtoren van Utrecht’
door Martin W.J. de Bruijn


Te citeren als: M.W.J. de Bruijn, ‘De spiegel van het schip 'De Domtoren van Utrecht’ (www.broerendebruijn.nl/ScheepsspiegelDomtoren.html, versie van [datum], geraadpleegd op [datum]).

Het schip 'De Domtoren van Utrecht'
Het schip 'De Domtoren van Utrecht'  op een tekening van Willem van de Velde de Oude omstreeks 1660.
 
Begin 2026 maakte dr. Marten Jan Bok mij attent op een tekening door Willem van de Velde de Oude van het Amsterdamse schip ‘De Domtoren van Utrecht’, daterend van rond 1660.[1] Op de spiegel van dit schip zijn de toren en zijn omgeving tamelijk gedetailleerd weergegeven. Marten Jan wees mij op de merkwaardige manier waarop dit is gebeurd. De tekenaar gaf namelijk de bebouwing aan weerszijden van de toren weer alsof het om in zijn geheel om een plat vlak ging. Links beeldde hij nogal schematisch het schip, dwarsschip en koor van de domkerk af en rechts een drietal vrij nauwkeurig weergegeven gebouwen, met daarnaast meer schematisch verder naar achter gelegen bebouwing.

Bij het meest rechtse van die nauwkeurig weergegeven gebouwen lijkt het om de westgevel van een kapel te gaan. Er staat zelfs een kruis op de topgevel. Zoals bekend stond ten zuidoosten van de Domtoren de Heilig-Kruiskapel. Met name op dit laatste gegeven wilde Marten Jan Bok mijn aandacht vestigen.

Op de tekening lijkt het alsof de drie gebouwen ten zuiden van de domtoren hebben gestaan. Maar in werkelijkheid bevond zich in de Late Middeleeuwen ten zuiden van de toren het bisschopshof met het bisschoppelijk consistorie, het gerechtsgebouw van de bisschop.Oostelijk daarvan liep noord-zuid de doorgang van de de twee claustrale huizen van Oudmunster ten noorden van de domtoren naar de Oudmunsterkerk.[2] De Heilig-Kruiskapel stond aan de oostzijde van deze steeg, dus, zoals hierboven al gezegd, op enige afstand zuidoostelijk van de domtoren. Tussen de domkerk en de kapel bevonden zich het consistorie van de domproost met een kerker, die gemeenschappelijk van de kapittels van de dom en Oudmunster was.
Gang De Beijer
De gang tussen de domtoren en de domkerk door Jan de Beijer in 1745, gezien vanuit het zuiden. Helemaal links de domtoren. Op de voorgrond de Heilig-Kruiskapel. De rooster bevond zich vóór de onderdoorgang bij de toren. De ruimte tussen de kapel en het restant van de domkerk lijkt helemaal bebouwd, maar komt niet overeen met de afbeelding op de scheepsspiegel van circa 1660. Dit geldt evenmin voor de gevel van de kapel.


In het navolgende worden de bronnen over de ruimte tussen de domkerk en de Heilig-Kruiskapel nog eens nagelopen. Op een reconstructieplattegrond die in eind vorige eeuw van het gebied rond het Domplein in de Late Middeleeuwen gemaakt heb, wordt deze ruimte aangeduid als B5. Tot slot wil ik een suggestie doen hoe de ontwerper van de scheepsspiegel tot zijn compositie van de bebouwing naast de domtoren en dus niet naast de domkerk kan zijn gekomen.

Plattegrond Domplein en omgeving
Reconstructie van de bebouwing rond de oude dom- of Sint-Maar­tenstoren omstreeks 1300 (gestippeld de nieuwe domtoren). De getekende lijnen zijn voor een deel hypothetisch; de letters en cijfers geven om en nabij de ligging van de structuren en hun bebouwing aan.
A     bisschopshof;
A1   zaal van de bisschop (in 1297 gesitueerd
an sunte Michiels capelle);
A2   ‘huis’ van de bisschop, waar zich in de onderverdieping de wijnkelder (
bottelrye) en de voorraadkamer (spiinde) bevonden (in 1320 aangeduid als domum episcopalem que dicitur spinde). Vanaf dat jaar was hier het consistorie, het bisschop­pelijk gerechtsgebouw, gevestigd. De bisschop had van­hieruit een toegang tot de Sint-Michielskapel in zowel de oude als de nieuwe toren. Tussen het ‘huis’ en de nieuwe toren verkreeg de bisschop een overdekte doorgang om van de zaal en de overige bebouwing naar de domkerk te kunnen gaan;
A3   poort van het bisschopshof onder de bisschoppelijke zaal;
A4    kraamsteden en erven onder een gewelf aan beide zijden van de poort van het bisschopshof;
A5    gruithuis;
B1   westwerk en schip van de Romaanse domkerk;
B2   mogelijke voorhof (
atrium) tussen de Romaanse domkerk en de domtoren;
B3   dom- of Sint-Maartenstoren met op de verdieping de Sint-Michielskapel;
B4   huis van de dom onder de Sint-Michielskapel (in 1241 aangeduid als
area sub capella sancti Michaelis versus septentrionem);
B5   plaats van het consistorie van de domproost en kerker van dom en Oudmunster;
C1   Heilig-Kruiskapel, behorend tot het kapittel van Oudmunster;
C2   Oudmunsterkerk;
C3   claustraal huis van Oudmunster ten noorden van de domtoren en de Sint-Michiels­kapel. Vanaf het toilet (
camera privata) op de zuidwesthoek van dit huis werd in 1320 een lijn getrok­ken naar ‘het bisschopshuis dat spinde werd genoemd’ (A2)
[4] Het Utrechts Archief [HUA], 216 Dom 570 en 223 Oudmunster 467. Ik heb in Husinghe ende hofstede, 166, nt. 509, ook Oudmunster 479-1 als bron vermeld, maar dit is onjuist.

[5] Zie Husinghe ende hofstede, 166, nt. 509.

[6] HUA, Dom 570, scans 1-3.

[7] HUA, Oudmunster 450 (1540 mei 24); Husinghe ende hofstede, 166-168. Zie ook Het bisschopshof.
Een deel van de gegevens heb ik destijds vermeld en besproken in mijn dissertatie Husinghe ende hofstede uit 1994 bij de behandeling van de grens tussen de immuniteiten van de dom en Oudmunster.[3] Hiervoor vormen onder meer stukken betreffende geschillen tussen beide kapittels een belangrijke bron.[4]

Nagenoeg zeker dateren deze stukken uit 1507.[5] In die tijd was het domkapittel nog volop bezig met de bouw van het nieuwe Gotische schip van de dom. Uit de stukken blijkt dat dit niet steeds tot genoegen gebeurde van het zusterkapittel van Oudmunster, dat ernstige overlast ondervond, onder andere van het water dat van het dak van de nieuwe domkerk kwam. Hoewel het zeer de moeite waard is om dit alles nog eens volledig uit de doeken te doen, laat ik dit hier nu achterwege en beperk ik me tot de bebouwing tussen de zuidmuur van de nieuwe domkerk en de Heilig-Kruiskapel. Ook de soms nogal speculatieve opvattingen van andere auteurs, die de bronnen voor een aanzienlijk deel buiten beschouwing laten, laat ik hier buiten beschouwing.
 
Een in gebrekkig Nederlands gesteld ‘kattebelletje’ in het archief van de dom, maar afkomstig van Oudmunster,[6] zegt over de bebouwing ter plaatse:
 
So als biden roester plach te staen doemproost custorie, so stont tussen die ende Cruys capel, daer stont een huysgen wat heten ende was carcer eccle­siarum nostrarum, dat hebben die heren vanden doem off laten breken buten ons, dat so niet en behoerden, begherende daer omme etc.
 
Dus: bij de rooster – dit wil zeggen bij de zuidwesthoek van de domkerk –[7] stond eertijds het consistorie van de domproost, en tussen dit consistorie en de kapel een huisje, dat de kerker van onze kerken was, dat de heren van de dom hebben laten afbreken.
[8] Oudmunster 467, scans 10 en 9 (in deze volgorde). Het stuk hoort overigens niet onder dit archiefnummer thuis: Item etiam carceres communes dicti domini ecclesie sancti Salvatoris circa capellam sancte Crucis se..ga.unt [?], in preiudicium dicte ecclesie sancti Salvatoris.

[9] Dom 570, scans 3-8: Item similiter proponitur et dicitur quod licet circa capellam sancte Crucis esse consuevit consistorium domini archidiaconi Traiectensis et circa illud quedam domus que carcer ecclesiarum maioris et sancti Salvatoris dici et communis esse consuevit, ipsi tamen domini maioris ecclesie domum illam sua propria auctoritate, irrequisitis dominis sancti Salvatoris, demoliri et in nichilum redegi ac lapides et alia ex ea provenientia deportari et in suos converti fecerunt.

[10] Ald., scans 8-18: - - - respondent prefati domini ecclesie maioris quod fuit quondam consistorium domini prepositi et archidia­coni Traiectensis circa capellam sancte Crucis, in opposito consistorii episco­palis, et illo consistorio prepositus et archidiaconus Traiectensis et suus officialis pro tempore pacifice usi sunt in sua iurisdictione exercenda absque contradictione quacumque prefatorum dominorum sancti Salvatoris.
Sed non constat prefatis dominis ecclesie maioris quod umquam fuerit aliqua domus circa illud consistorium que carcer ecclesiarum maioris et sancti Salvatoris fuerit, nec a suis maioribus dici audiverunt quod talis domus, que carcer fuerit, circa illud consistorium fuerit, nec aliquam domum circa illud consistorium demoliri fecerunt, prout prefati domini proponunt.
Sed verum est quod bene reperiunt tantum in prefata concordia inter ecclesias prefatas inita, quod fuit camera quedam interior iuxta capellam sancte Crucis, que quondam fuit carcer aliquorum, ad quam cameram eciam deberent esse due claves, quarum una apud ecclesiam maiorem, altera apud ecclesiam sancti Salvatoris esse deberet. Sed cum illa camera interior, que quondam aliquorum carcer fuisse dicitur, iuxta capellam sancte Crucis stetisse et illi continet vel saltem contigua fuisse videtur, ex quo camera interior iuxta capellam sancte Crucis nominatur, clare liquet quod domini ecclesie maioris illam cameram, que quondam aliquorum carcer fuisse scribitur, non sunt demoliti, quia nulla loca iuxta capellam sancte Crucis demoliri fecerunt. Sed eorundem dominorum structura adhuc satis longe ab eodem capella sancte Crucis distat. Et sic clare constat prefatos dominos sancti Salvatoris in hoc articulo contra dominos maioris ecclesie notorie iniustam querelam proponere.


[11] Het gaat hierbij om een overeenkomst van circa 1485, waarvan de inhoud wel bewaard is gebleven, maar waarover Oudmunster zich beklaagt dat de dom die overeenkomst nooit bekrachtigd had (Oudmunster 449; zie Husinge ende hofstede 165, nt. 508, en Het bisschopshof).

[12] Dom 3166 en Oudmunster 410. Editie: F. Ketner (uitg.), Oorkondenboek van het Sticht Utrecht tot 1301, V-1 (’s-Gravenhage 1959) nr. 2631, 149-152: Item transitus apud scolas maioris ecclesie stabit deinceps clausus continue nec aliquatenus aperietur, nisi in Cena Domini pro transitu dominorum sancti Salvatoris vel visitatione sepulchrorum hinc vel inde, sive pro trahendo vino seu deportando blado vel aliis necessariis prelatorum vel canonicorum nostrorum; quibus peractis subito recludetur ab eodem custode, qui clavem dederit pro aperiendo ipsum. Due debent esse claves ad transitum predictum et due ad ianuam iuxta cratem et due ad interiorem cameram iuxta capellam sancte Crucis, que quandoque fuit carcer quorumdam; quas tres claves debet habere custos maioris ecclesie et alias tres custos ecclesie sancti Salvatoris pro aperiendis et claudendis eis temporibus oportunis.

[13] Zie de webpagina De claustrale huizen Achter de Dom.


Detail afbeelding Droochsloot
Detail van de afbeelding van Joost Cornelisz. Droochsloot, overeenkomend met de afbeelding op de scheepsspiegel:
Detail van het schip 'de Domtoren van Utrecht'
In een tweede stuk, een instructie uitgegaan van het kapittel van Oudmunster,[8] heet het:
 
'Ook hebben zij de gemeenschappelijke kerker(s) van de genoemde (aartsdiaken) en van de kerk van Sint-Salvator bij de Heilig-Kruiskapel gesloopt, ten nadele van de genoemde kerk van Sint-Salvator.
 
Het voor mij onleesbare woord staat, gezien de andere bronnen, voor ‘hebben gesloopt’.
 
In de eveneens aanwezige aanklacht staat dit als volgt omschreven:[9]

‘Ook wordt naar voren gebracht en gezegd dat hoewel bij de Heilig-Kruiskapel het consistorie van de aartsdiaken van de dom placht te staan en daarbij een huis dat kerker van de kerken van de dom en Sint-Salvator werd genoemd en gemeenschappelijk placht te zijn, hebben de heren van de dom dat huis op eigen gezag, zonder dat aan de heren van Sint-Salvator te vragen, afgebroken en tenietgedaan en de stenen en andere zaken daaruit voortkomend laten afvoeren en ten eigen bate aangewend.’
 
Waarop het domkapittel breedvoerig ten antwoord gaf:[10]

‘Maar het staat voor de voornoemde heren van de domkerk niet vast dat er ooit enig huis bij dat consistorie stond dat een kerker van de kerken van de dom en Sint-Salvator is geweest, noch hebben zij van hun ouderen horen zeggen dat er een dergelijk huis dat een kerker is geweest bij dat consistorie heeft gestaan, noch dat zij enig huis bij dat consistorie hebben laten afbreken, wat de voornoemde heren naar voren brengen.
Maar juist is dat zij goed hebben vastgesteld in deze betekenis in de voornoemde overeenkomst, gesloten tussen de genoemde kerken,[11] dat er een binnenste kamer bij de Heilig-Kruiskapel is geweest, die eertijds de kerker van sommigen was geweest, voor welke kamer er ook twee sleutels moesten zijn, waarvan er een bij de domkerk, de andere bij de kerk van Sint-Salvator moest worden bewaard. Maar aangezien die binnenste kamer, waarvan geschreven werd dat zij eertijds de kerker van zekere personen was, naar blijkt bij de Heilig-Kruiskapel heeft gestaan en haar toebehoord of op zijn minst daaraan heeft gestaan, blijkt duidelijk dat de heren van de domkerk die kamer, waarvan geschreven wordt dat zij de kerker van zekere personen is geweest, niet hebben afgebroken, omdat zij geen plaatsen bij de Heilig-Kruiskapel hebben laten afbreken. Maar de bebouwing van deze heren (van de dom) staat tot nu toe voldoende ver van de kapel van het Heilig-Kruis af. En zo is duidelijk dat de voornoemde heren van Sint-Salvator in dit artikel tegen de heren van de domkerk duidelijk een ongerechtigde klacht naar voren brengen.’
 
Het verweer maakt eerlijk gezegd niet bepaald een oprechte indruk. Maar het domkapittel verwees hoogstwaarschijnlijk naar een passage in oorkonde van 25 mei 1294, waarin de ‘broederschap’ van beide kapittels werd vastgelegd:[12]

‘Eveneens zal de doorgang bij de school van de domkerk voortaan voortdurend gesloten zijn en niet anders geopend worden dan op het Avondmaal des Heren (Witte Donderdag) voor een doorgang van de heren van Oudmunster of een bezoek aan de graven hier en daar, of voor de aanvoer van wijn of het vervoer van koren of andere benodigdheden van onze prelaten en kanunniken. Wanneer dit gedaan is, wordt de toegang onmiddellijk gesloten door de(zelfde; eerder genoemde) koster van de domkerk, die de sleutel zal geven om de doorgang te openen. Er moeten twee sleutels zijn voor de genoemde doorgang bij de rooster en twee voor de deur bij de rooster en twee bij de meer naar binnen gelegen kamer bij de Heilig-Kruiskapel, die ooit (quandoque) de kerker van sommige personen was; van welke sleutels de koster van de domkerk er drie moet hebben en de andere drie de koster van de kerk van Sint-Salvator om op de nodige tijden te openen en te sluiten.’
 
Er zou zich dus al aan het eind van de dertiende eeuw een ‘meer naar binnen gelegen kamer’ (camera quedam interior) bij de Heilig-Kruiskapel ‘van (of voor) zekere personen’ (quorumdam) hebben bevonden, maar die zou niet zijn afgebroken. Het domkapittel zou aldaar helemaal geen bebouwing hebben afgebroken… 
 
Helaas beschikken we niet over meer archiefstukken betreffende deze affaire, zodat de afloop onbekend is en ook de vraag of er gesloopt is onbeantwoord blijft. Hoe dit alles ook zij, het lijkt erop dat in 1507 op die plaats tussen het nieuwe schip van de domkerk en de Heilig-Kruiskapel geen bebouwing meer heeft gestaan. Verder kan de conclusie zijn dat in de zestiende eeuw van drievoudige afsluiting van de doorgang, zoals aan het eind van de dertiende, geen sprake meer is geweest.
 
Wat het consistorie van de domproost betreft, dit zal zich niet lang op deze plaats bevonden hebben. In 1467 stond dit gerechtsgebouw nog tussen twee claustrale huizen Achter de Dom, circa het tegenwoordige Achter de Dom 12.[13] Kort hierna zal het verplaatst zijn naar de plek waar we het nu over hebben, oostelijk van de doorgang tussen de domkerk en de kerk van Oudmunster, tegenover het consistorie van de bisschop ten zuiden van de domtoren. Maar kennelijk heeft het domkapittel het al vóór 1507 weer gesloopt, waarschijnlijk voor de bouw van de nieuwe domkerk.
 
De ruimte is echter niet leeg gebleven. Zoals de bekende afbeelding van Jan de Beijer uit 1745 leert, waarop de genoemde gang in noordelijke richting zichtbaar is, was de grond tussen de Heilig-Kruiskapel en de domkerk toen al weer nagenoeg volgebouwd. Maar voor zover dat te zien is, komt die bebouwing ook niet overeen met wat Willem van de Velde de Oude op zijn tekening uit circa 1666 afbeeldt. Wat de Heilig-Kruiskapel betreft voldoet het westfront van deze kapel bij Van de Velde niet aan wat ons van de tekening van De Beijer bekend is. Dat er in het protestantse Utrecht van die dagen een kruis op de topgevel heeft gestaan, acht ik ook hoogst onwaarschijnlijk. Overigens heeft de maker ook een kruis op de toren gezet.

De verder naar achtergelegen bebouwing rechts van de kapel komt overigens wel enigszins overeen met de situatie van het zuidelijk deel van het Domplein, het Munsterkerkhof, zoals te zien is op twee afbeeldingen van Jan de Beijer uit 1745.

Afbeeldingen Munsterkerkhof De Beijer 1745
De twee aaneengelegde tekeningen van de Heilig-Kruiskapel en een deel van het Oudmunsterkerkhof van Jan de Beijer uit 1745. Het Utrechts Archief, Topografische Atlas 35263 (links) en 35264 (rechts). Aldus afgedrukt in E.J. Haslinghuis en C.J.A.C. Peeters, De Dom van Utrecht ('s-Gravenhage 1965) 155.

Mijn suggestie – die ik zoals gezegd graag geef voor iedere betere – is dat de maker wél heeft bedoeld de kapel weer te geven, maar dat hij de westgevel daarvan en overige bebouwing aan de linkerzijde gefantaseerd heeft. Mogelijk heeft hij rechts van de toren wel gedacht aan de bebouwing ter plaatse van het vroegere consistorie van de domproost, maar zich gewoon in de situering daarvan vergist.
 
Volgens mij heeft de maker van de spiegel zich voor de voorstelling van de domtoren en zijn omgeving gebaseerd op een of meer stadsgezichten, waarbij ik met name denk aan die van Joost Cornelisz. Droochsloot, overleden in 1666, welke afbeelding ook in het hoofd van deze webstek staat. Het is opmerkelijk hoe op beide afbeeldingen het schip, dwarsschip en koor van de dom wél, zij het door Droochsloot enigszins schematisch is weergegeven. Maar zelfs het vieringtorentje is bij hem aanwezig. De bebouwing ten zuiden van de dom(toren) is bij Droochsloot niet zichtbaar, wel meer naar voren drie gevels van huizen. Die staan echter ten noorden van de Buurkerk, dus een heel eind van de domtoren vandaan.
 
Kortom, de afbeelding op de scheepsspiegel van het schip ‘De Domtoren van Utrecht’ is wat de bebouwing zuid van de toren betreft niet betrouwbaar. Mogelijk ontleende de maker van de spiegel zijn beeld aan het panorama van Joost Cornelisz. Droochsloot en, voor wat betreft de bebouwing rechts van de toren, aan zijn eigen idee daarover, wat bij nadere beschouwing niet juist blijkt te zijn. Maar ik sluit ook niet uit dat hij die bebouwing van een andere afbeelding heeft overgenomen. De vraag is dan welke.


© 2026 C.J.C. Broer en M.W.J. de Bruijn. - Gepubliceerd 20 januari 2026; laatst bewerkt 20 januari 2026.