
| Startpagina | Inhoudsopgave | Lezingen
| Uitgaven
| Vrijwaring | Contact |
|
| Andere
bijdragen
over Tilburgse geschiedenis op deze internetpresentatie: ► Heren van Tilburg ► Hoe oud is Tilburg? ► De status en herkomst van het geslacht Bac in Tilburg ► Het leengoed ter Rijt als domaniale kern van het dorp en de heerlijkheid Tilburg ► De herdgang de Rijt in Tilburg ► Het domein Korvel in Tilburg ► Daneel van Heyst. Een vijftiende- eeuwse Tilburger en zijn omgeving ► Schôon en lillek. De teloorgang van een Tilburgs wevershuis ► Het geslacht Van Spaendonck Zie verder: ► Stamreeks Van Heyst-De Bruijn ► Kwartierstaat Martin de Bruijn Over de herkomst van de vijftiende-eeuwse schilders Jan en Hubert van Eyck uit deze Bac-familie zie: ► Dossier Jan en Hubert van Eyck |
Moerenburg in Tilburg was geen hoeve door Martin W.J. de Bruijn Te citeren als: M.W.J. de Bruijn, ‘Moerenburg in Tilburg was geen hoeve maar een huizinge’ (www.broerendebruijn.nl/Moerenburg.html, versie van [datum], geraadpleegd op [datum]). In Bergeijk wordt gewerkt aan een visualisering van het
verdwenen kasteeltje de Portinc waar waarschijnlijk de schilderbroers Jan en
Hubert van Eyck geboren zijn. In dit kader werd er een bezoek gebracht aan de
Moerenburg in Tilburg, waar eens de geestelijken van Tilburg en Enschot
gehuisvest waren. Hierbij werd de Moerenburg door de castelloloog drs. Bas (S.A.J.J.) Aarts voorgesteld als een
oorspronkelijke mansus, dit wil zeggen een hoeve. Bij nader onderzoek is
mij gebleken dat dit een onjuiste weergave van de feiten is. De Moerenburg was
al vanaf de oudste bronnen geen mansus maar een mansio. Met dit
laatste wordt een groot, meestal stenen woonhuis of ‘huizinge’ aangeduid.
|
[1] Zie ook het speciaal aan Moerenburg gewijde themanummer ‘Moerenburg ontdekt!’ van Tilburg. Tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur, jrg. 24 (2006), nr. 2, met name de bijdrage van Arjan van Loon, ald. 44-51.
[2] Zie voor wat
Tilburg betreft bijvoorbeeld de veertiende-eeuwse hoeve van mijn voorouders in
de mannelijke lijn, de familie Van Heyst (M.W.J. de Bruijn, ‘De
hoeve “Het Goed ter Linden” in de Stokhasselt’,Tilburg, jrg. 21
(2003) 35-46). Zie voor gegevens over een hoeve van mijn familie in de omgeving
van Tilburg ook de webpagina ► De oorsprong van de
hoeve het Goed te Heyst in Udenhout. |
Het misverstand is ontstaan in 1978 in het artikel ‘De
huizinge Moerenburg en haar bewoners’ door Arjan (A.J.A.) van Loon, waarvan deel I
(1358-1648) verscheen in jaarboek De Lindeboom, jrg. 2 (1978) 81-127.[1]
De auteur vereenzelvigt hierin de begrippen mansio en mansus en
gaat ervan uit dat het onder beide benamingen om een ‘hoeve’ ging. Een hoeve
was in beginsel een stuk land dat groot genoeg was om er het boerenbedrijf op
uit te oefenen. De oppervlakte kon per regio verschillen. Omdat er doorgaans
een boerderij op gebouwd werd, werd ook deze met de bijbehorende grond hoeve
genoemd.[2] Maar een mansio was iets heel anders, namelijk een groot woonhuis, een herenhuizinge. Ze kwamen zowel in stedelijke als in landelijke gebieden voor. In ’s-Hertogenbosch heb ik onderzoek gedaan naar de mansiones binnen het stadsgebied. Het bleek hierbij te gaan om grote stenen huizen van vooraanstaande, doorgaans adellijke personen. Opmerkelijk was hierbij dat de bouwers streefden naar realisering van de elementen die ook hun buitenstedelijke mansiones hadden. Dat waren tevens de kenmerken van sloten of kastelen: gracht, brug, poort, toren met zaal en kapel. Aan dergelijke mansiones was soms, vanzelfsprekend in buitenstedelijke gebieden, wel een boerenbedrijf verbonden, maar dit werd doorgaans verpacht in tijdelijke contracten. Een mansus daarentegen werd in het algemeen tegen betaling van een jaarlijkse pacht erfelijk uitgegeven, eertijds vooral in een heerlijk (publiekrechtelijk) verband, later ook privaatrechtelijk. In het laatste geval verkreeg en behield de ‘uitgever’ vrijwel altijd alleen het recht op volledige en tijdige betaling van de pacht, terwijl de ‘houder’ de volledige beschikking kreeg over het uitgeven goed en het dus vrij kon verkopen en bezwaren met cijnzen en pachten. In de Meierij van ’s-Hertogenbosch, dus ook in Tilburg, bestond een groot aantal mansi, dus hoeven, terwijl de mansiones, dus de grote woonhuizen, in aantal beperkt bleven. ![]() Moerenburg als huizinge of adellijk herenhuis omstreeks 1700. De leeuwtjes op de poort zijn bewaard gebleven. Collectie Regionaal Archief Tilburg. |
|
[3] Abdijarchief
Tongerlo [AAT] Charters, nr. 723 (editie: De oorkonden der abdij Tongerlo
[Oorkonden Tongerlo], dl. IV, uitg. M.A. Erens en H.M. Koyen (Tongerlo
1958) nr. 1083).
[5] Item dat
neghene papen, gheordende liede noch anders yeman eenich erfnisse binnen den
prochien van Tilbourch ende van Goerle vercrigen en selen mogen, si en selen
dair af aldair ten vonnisse ende ten recht moeten staen gelijc onsen anderen
luden van Tilbourch ende van Goerle.’ Afgedrukt in M.W.J. de Bruijn, ‘Het
ontstaan van de Tilburgse schepenbank’, dl. 1, Historische Bijdragen. Orgaan
van de Heemkundekring ‘Tilborgh’, jrg. 2 (1971) nr. 1, 5-12, ald. 9.
|
Huis Moerenburg In 1358 was de mansio geheten Moerenborgh in het bezit van Wouter Mathijsz. (van) Mol en zijn dochter Margriet. Deze verkochten het huis op 21 november van dat jaar voor de Oisterwijkse schepenbank aan Hendrik Wisse, schout van Oisterwijk.[3] Op 31 december 1383 droeg Elizabeth dochter van inmiddels wijlen Hendrik Wisse, eveneens voor de Oisterwijkse schepenen, haar vruchtgebruik in eenre wooninghe geheyten Morenborch – de Nederlandse vertaling van mansio dicta Morenborch – en in twee stukken land, die haar vader aan haar en zijn schoonzoon Gerard Nannen, Elisabeths eerste man, als huwelijksgave had geschonken, over aan hun beider twee kinderen Hendrik en Katelijn. Hierna verkochten deze de genoemde twee stukken land aan Willem Schelaert, zoon van Peter Schelaerts en droegen het geheel, dus met inbegrip van de mansio, over aan genoemde Willem.[4] Op 22 februari 1384 verschenen in Breda in het woonhuis van Hendrik van Riel de clericus Gerard Hendrik Nannenz. en zijn zuster Katelijn voor de notaris Johan van de Venne. Ze erkenden daar te hebben verkocht aan heer Jan van Gestel, pastoor van Tilburg, ten behoeve van het klooster Tongerlo ‘zeker woonhuis in de volksmond geheten Morenborch’ (quandam mansionem vulgariter dictam Morenburch) en twee nader aangeduide stukken land in Tilburg. Deze erven waren bij vonnis van de schepenen van Oisterwijk toegeëigend aan Willem Schelaert ten behoeve van Tongerlo. Gerard Hendrik Nannenz. en zijn zuster Katelijn droegen vervolgens hun rechten over aan heer Jan ten behoeve van de abdij. Hierbij werd verwezen naar de oorkonde van 21 november 1358, die in haar geheel in de notariële akte van 22 februari 1384 werd opgenomen. Uit de goederen bleken een mud rogge ten behoeve van Tongerlo en vijfenhalve penning cijns te gaan. De rogge moest in Tilburgse maat geleverd worden op de graanschuur van de abdij in Tilburg, waarmee ongetwijfeld de Tongerlose Hoef is bedoeld. Gerard en Katelijn beloofden de overdracht te garanderen. Wanneer de erfgenamen van Hendrik Wisse, eertijds schout van Oisterwijk, bezwaar zouden maken over een erfelijke cijns van vier pond payment die eertijds uit de goederen betaald werden en nu afgelost waren, zou heer Jan hiervan vrij zijn. Tezelfdertijd deed Elizabeth, moeder van Gerard en Katelijn, afstand van haar vruchtgebruik en aanspraken. Na dit notarieel contract moest de eigenlijke overdracht nog plaatshebben. Dit kon tot 1453, toen Tilburg een eigen schepenbank kreeg, gebeuren in Oisterwijk, maar voor de hele Meierij ook in de hoofdstad ’s-Hertogenbosch. Helaas zijn de schepenprotocollen van de stad uit die tijd niet volledig overgeleverd en die van Oisterwijk in het geheel niet. Maar wel overgeleverd is de tekst van een door de schepenen van ’s-Hertogenbosch uitgegeven oorkonde van 16 juli 1388 – dus van ruim vier jaar na 22 februari 1384! – waarin… Willem Schelaert habitationem quandam dictam communiter Morenborch, dus een ‘zeker woonhuis gewoonlijk Moerenburg geheten’ – met al zijn toebehoren, en de eerder genoemde twee stukken land, welke goederen Willem van Hendrik en Katelijn, kinderen van wijlen Gerard Annenz., had verkregen, overgedragen aan heer Jan van Gestel, pastoor van Tilburg. De aanduiding ‘ten behoeve van de abdij Tongerlo’ ontbreekt in deze akte. In het algemeen zag het wereldlijk gezag niet graag goederen ‘in de dode hand’ komen. Tilburg bezat zelfs sinds 1342 een privilege daarover en het is denkbaar dat in deze kwestie de schout van de Oisterwijkse schepenbank, waaronder Tilburg toen viel, een rol heeft gespeeld.[5] Denkelijk heeft hij zich verzet tegen de rechtsgeldigheid van rechtshandelingen ten overstaan van de notarissen. Maar hoe dit alles ook zij, de Huizinge Moerenburg en haar toebehoren is uiteindelijk toch voor lange tijd in handen van de geestelijkheid van Tongerlo gekomen. ![]() Deel van de reconstructie van Huis Moerenburg in cortenstaal. Foto Willeke Machiels 2022. |
|
[6] Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1312 [ONB] dl. I-2, uitg. H.P.H. Camps (’s-Gravenhage 1980) nr. 808.
[7] Stadsarchief
’s-Hertogenbosch [SAH], Rechterlijk Archief (Bosch’ protocol) [R] 1175, f.
264v. (1371.04.25).
[9] Uit een
oorkonde van 21 december 1338 blijkt Mathijs Bac van Korvel de goederen van de
kinderen van Wouter Bac van Bomal gekocht te hebben van de abt van Tongerlo (Erens,
Oorkonden Tongerlo III, nr. 833).
[15] Regionaal Archief
Tilburg, R. Oisterwijk, nr. 158, f. 14 (1450.07.08). Zie verder M.W.J. de Bruijn,
‘Over de oorsprong van de “stenen kamer” in Tilburg’, Actum Tilliburgis, jrg. 13 (1982) 66-70.
|
Andere mansiones in Tilburg Het Huis Moerenburg was overigens niet de enige mansio in Tilburg. Ik volsta hier met een opsomming van de oudst traceerbare. De uitwerking zal naar ik hoop te zijner tijd plaatshebben. In de bronnen is al in 1309 sprake van de mansio van Broekhoven, waarvan de helft in bezit was van Wouter Bac van Baarschot.[6] Uit deze laatste is de familie Bac van Broekhoven voortgekomen. Broekhoven is een wijk in het zuidoosten van Tilburg. Deze mansio wordt voorts ook vermeld in 1371, toen zij in haar geheel in bezit was van Hendrik van Broekhoven.[7] Verder woonde in 1310 Hendrik Bac in een mansio in Tilburg.[8] Zij wordt gesitueerd op de Braak (supra Brakam). Deze Hendrik behoort tot de voorvaders in de mannelijke lijn van de gebroeders Jan en Hubert van Eyck. De mansio blijkt in 1336 in het bezit te zijn geweest van Wouter Bac van Bomal.[9] Wouters gelijknamige zoon, wonend in Westerlo, droeg deze mansio op 14 december van genoemd jaar 1336 over aan Mathijs Bac van Korvel.[10] Deze laatste was rentmeester van de hertog in ’s-Hertogenbosch. Er behoorden twee molens toe, die op 21 december 1338 door Mathijs verkocht werden aan zijn familielid Aart Bertout Bac.[11] De grondheerlijkheid van deze molens bleef berusten bij Mathijs. Ik ben geneigd om de mansio op Korvel te situeren, maar zekerheid heb ik daarover vooralsnog niet. In 1369 is sprake van de mansio van Thomas Bac. Deze wordt gesitueerd wordt bij de Bokhamer in Tilburg.[12] Ik heb er vooralsnog niets naders over kunnen vinden en ook archeologisch is daar voor zover ik weet niets over vastgesteld. In 1389 wordt genoemd de mansio van Hendrik Bac, zoon van Aart van der Heggen.[13] Ook deze mansio heb ik nog niet kunnen situeren, evenmin als ik trouwens deze Hendrik Bac heb kunnen identificeren. In 1418 ten slotte wordt gesproken van de mansio van Bertout Bac bij de heide (iuxta mericam) achter een hoeve van Jan Bac.[14] Opmerkelijk is dat, afgezien van het Huis Moerenburg, de andere vijf getraceerde veertiende-eeuwse mansiones in Tilburg in het bezit waren van leden van de vooraanstaande Tilburgse familie Bac. In 1450 waren de gebroeders Gerit en Jan Bac, zonen van een natuurlijke zoon Jan (de jonge) van Gerit Bac, de bezitters van die steenen camer aan de Klein-Hasselt waaruit later het kasteel van de heerlijkheid Tilburg is voortgekomen. [15] Wordt zo mogelijk vervolgd. |